nieuws

Gelijkheidsbeginsel

bouwbreed Premium

Gekker kan het eigenlijk niet, een rechter die het openbaar ministerie adviseert geen bouwbedrijven meer voor de rechter te brengen in het kader van de bouwfraude. De reden is hier het gevaar van uitsluiting bij het dingen naar toekomstige overheidsopdrachten. Een sinds 2004 bestaande Europese aanbestedingsrichtlijn zou zelfs verplichten tot uitsluiting van op drachten voor […]

Gekker kan het eigenlijk niet, een rechter die het openbaar ministerie adviseert geen bouwbedrijven meer voor de rechter te brengen in het kader van de bouwfraude. De reden is hier het gevaar van uitsluiting bij het dingen naar toekomstige overheidsopdrachten. Een sinds 2004 bestaande Europese aanbestedingsrichtlijn zou zelfs verplichten tot uitsluiting van op

drachten voor omkoping en fraude veroordeelde bedrijven. De Rotterdamse rechters zijn van mening, dat het vergrijp van de veroordeelde vier bedrijven niet in verhouding staat tot een dergelijke sanctie. Gek genoeg verbinden de rechters hun op-

vatting niet met het wegen van het gelijkheidsbeginsel. Als vrijwel een gehele branche meewerkt aan een systeem waarin via onderlinge afspraken werk wordt verdeeld, is het op zijn minst opmerkelijk als dan maar vier bedrijven voor vervolging worden uitgekozen.

Zoals de rechter nu vaststelt met de kans, dat toekomstige uitsluiting van overheidsopdrachten tot faillissementen kan leiden. Dit afgezien van de mogelijkheid om de dans te ontspringen als veroordelingen voor feiten die in de tijd liggen voor het van kracht worden van de richtlijn en ook van de implementatie in Nederlands recht. Nu moet ook blijken of de belofte van het kabinet bij zijn oproep aan bouwbedrijven zich te melden bij de Nma niet op gespannen voet staat met de mogelijkheid tot uitsluiting. Je vrijwillig melden houdt immers de mogelijkheid in, dat slapende honden wakker worden gemaakt.

Schoon schip maken zou echter betekenen dat met een schone lei kon worden begonnen.

Opmerkelijk in het vonnis van de rechters is ook hun beschouwing over de waarde die aan de “tegoeden”, opgebouwd tijdens vooroverleg zijn opgebouwd. De rechtbank houdt het erop, dat de tegoeden natuurlijk een zekere waarde hebben, namelijk het verkrijgen van werk in de toekomst waarop een normaal resultaat kan worden behaald. De waarde van de toegekende bedragen bij een voorbesteding schrompelt daarmee in tot enkele procenten die in later uit te voeren werk alsnog gerealiseerd moeten worden. Een ophoging van de prijs voor de opdrachtgever is daarmee volgens deze uitspraak niet aan de orde.

Het gaat dus wel degelijk om pepernoten, fiches, monopoly-geld of hoe je het maar wilt aanduiden. Materieel trekt deze uitspraak naar mijn gevoel de bodem uit de gehele zaak. Niet dat ik de wetsovertredingen daarmee wil bagatelliseren, wel dat de veroordeling tot lid van een criminele organisatie een zware sanctie is voor bedrijven die hun toekomstige omzet en werkgelegenheid voor normale prijzen proberen veilig te stellen.

De bedoeling om veel winst te maken met verboden activiteiten ontbreekt hier volledig. Hier wordt door de rechters met zoveel woorden vastgesteld, dat van een miljardenfraude geen sprake is. Van dit fenomeen heb ik in de publiciteit nauwelijks kennis kunnen nemen. De beschouwing van de rechter over de waarde van de tegoeden werpt ook een bepaald licht op het schikken in de civiele zaken die bedoeld zijn om de volgens de opdrachtgever ongeoorloofde prijsophoging ongedaan te maken en terug te vorderen. Er valt immers niets terug te vorderen, omdat het werk voor een normale prijs is aangenomen en uitgevoerd.

Toegegeven uitspraken in een strafzaak mag je niet een op een vertalen naar een civiele zaak, waar het kan gaan om een individueel geval, waarin ze zaken weer net iets anders liggen. Gemiddeld genomen is de uitspraak natuurlijk richtinggevend.

Nu maar afwachten of nog een hoger beroep gaat dienen. Dat zou dan gericht moeten zijn om het van tafel krijgen van de veroordeling voor het lidmaatschap van een criminele organisatie. Snelle duidelijkheid of deze term ook van toepassing is bij het beoordelen of uitsluiting kan plaatsvinden bij in de toekomst te verwerven overheidsopdrachten zou de afweging makkelijker maken. Gelet op de beroepstermijnen die gelden, zal deze duidelijkheid waarschijnlijk niet worden verschaft.

Reageer op dit artikel