nieuws

Henk Döll: Houding architect cruciaal

bouwbreed Premium

rotterdam – “In de bouw wordt te veel in clichés gepraat”, vindt architect Henk Döll. “Iedereen praat elkaar na zonder echt van de hoed en de rand te weten. Dat komt de discussie ter verbetering van het bouwproces en de rollen van de verschillende partijen daarin niet ten goede.” Dat de architect bij grotere of […]

rotterdam – “In de bouw wordt te veel in clichés gepraat”, vindt architect Henk Döll. “Iedereen praat elkaar na zonder echt van de hoed en de rand te weten. Dat komt de discussie ter verbetering van het bouwproces en de rollen van de verschillende partijen daarin niet ten goede.”

Dat de architect bij grotere of complexe bouwwerken nog maar één van de vele partijen zou zijn en over het totaal steeds minder heeft te zeggen, is volgens hem zo�n cliché. “Het klopt gewoon niet. Alles kan tegenwoordig, dus alles gebeurt ook. Het is aan de architect daarop in te spelen. De ene keer ben je de spin in het web, de andere keer is je rol bescheidener. Bij elk project is de tafelverdeling weer anders. De houding van de architect in deze processen is cruciaal.”

“Steeds reflecteren op wat er gaandeweg het bouwproces gebeurt, en daarop inspelen”, vervolgt hij. “Niet vast blijven houden aan starre principes, maar als er dingen tijdens het proces veranderen, flexibel zijn en niet, zoals architecten wel eens eigen is, een defensieve houding aannemen. Niet alleen je creativiteit inzetten voor het maken van een mooi ontwerp waar niemand aan mag komen, maar een zo goed mogelijk antwoord geven op de vragen die er liggen.”

Hierin een balans vinden vanaf het allereerste begin in samenspraak met de opdrachtgever én de gebruikers is volgens Döll de kunst. “Zodat het project een breed draagvlak heeft en het gebouw niet alleen mooi is, maar op alle niveaus klopt.”

Dit houdt in korte bewoordingen het begrip �reflective practice� in, dat Döll, toen nog partner in het Delftse architectenbureau Mecanoo, enkele jaren geleden in de architectuurpraktijk introduceerde. Het principe ligt ten grondslag aan het bureau dat hij twee jaar geleden oprichtte, Döll-Atelier voor Bouwkunst in Rotterdam. Interactie tussen opgave en ontwerp op grond van open communicatie tussen de verschillende partijen. “Dus ook reflecteren naar elkaar”.

“Kennelijk is onze visie aangeslagen in Haarlem. Het architectenbureau van Döll is onlangs uitgekozen om het nieuwe stadskantoor te ontwerpen voor deze gemeente, waarvan de bouw begint in oktober 2007. Onder andere vanwege de grote aandacht voor de wensen van de opdrachtgever en het totale proces, wil Haarlem met Döll in zee. Eerder heeft hij met striptekenaar Joost Swarte in deze stad De Toneelschuur gerealiseerd, waarbij vanaf het eerste begin de eisen wat betreft theatertechniek en logistiek zorgvuldig zijn ingepast.”

“Zo zie je dat elk project uniek is in zijn randvoorwaarden en de rol van de architect steeds opnieuw moet worden gedefinieerd, ook in verhouding tot de aannemerij. Soms zit de bouwer al in het prille begin aan tafel als lid van een bouwteam, en dan pas weer na de ontwerpfase.”

Werken in een bouwteam vindt Döll in de praktijk, refererend aan de ruim twintig jaar ervaring, erg tegenvallen. “In theorie moet het tijdwinst opleveren en kosten besparen”, stipt hij een volgend cliché aan. “Ik heb in bouwteams gewerkt waarin het perfect liep – het kán ook – maar dan moeten ook echt alle neuzen dezelfde kant op staan en er niet allerlei andere belangen of verborgen agenda�s een rol spelen. Dat is helaas echter hoogst zelden het geval.”

Veel vaker heeft hij meegemaakt dat een aannemer eigenlijk alleen maar deelneemt – in plaats van te gaan voor een aanbestedingsproject – om zijn eigen positie veilig te stellen en er van teamgedachte weinig sprake is. “Dan is werken in een bouwteam niet efficiënt en tijdwinst al helemaal geen argument om een opdrachtgever deze vorm van samenwerken te adviseren.”

Ook merkt Döll dat het aan knowhow ontbreekt, de communicatie binnen het bouwbedrijf niet goed verloopt doordat degene die bij het voortraject aan tafel zit, de zaken niet goed overdraagt aan de mensen in de uitvoering. “Goed te verklaren als je kijkt naar het type bedrijf dat een aannemer als vanouds is. Een gedefinieerd product maken en daar de capaciteit voor leveren is het wezenskenmerk. Ze zijn er niet op ingesteld al in het voortraject mee te doen. Dat merken wij nog steeds.”

Döll werkt het liefst met kleine of middelgrote aannemers en adviseert zijn opdrachtgevers als zodanig. “Het algemene kwaliteitsbesef in de bouw is, in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland waar wij werken aan een aantal projecten, niet zo aanwezig. Met name de grote bouwbedrijven houden zich vanaf eind jaren negentig met van alles en nog wat bezig. Fusies, aandelenperikelen en wat dies meer zij, behalve met hun core-business, de bouw. Ze doen te weinig aan innovatie en hebben zich nauwelijks ontwikkeld.”

De bedrijfscultuur werkt door tot op de werkvloer, heeft Döll gemerkt en daar is vaak niet de spirit die nodig zou moeten zijn. Dat brengt hem direct bij een derde cliché dat hij kan ontzenuwen. Het zou in de bouw steeds meer ontbreken aan echte vakmensen.

“Niet waar”, vindt Döll. “Je kunt het natuurlijk niet met de ambachtelijkheid van honderd jaar geleden vergelijken, de bouwpraktijk ziet er anders uit. Maar er lopen genoeg vakmensen rond. Die krijgen niet altijd de gelegenheid hun vakmanschap uit te oefenen. Vooral kleinere en middelgrote aannemers zijn sterk op de bouwplaats, want zij steken meer energie in scholing en innovatie, wat hun vakmanschap én motivatie vergroot”, refereert hij aan het bezoek dat hij pas nog bracht aan een van de projecten. Het geeft mij voldoening als ook de mensen die het werk uitvoeren er trots op zijn.

�Rol ontwerper moet steeds opnieuw worden gedefinieerd�

Reageer op dit artikel