nieuws

Waterbouw blijft stiefkindje ministerie

bouwbreed Premium

den haag – Ondanks fraaie lippendienst in de Nota mobiliteit is er te weinig geld beschikbaar voor de waterwegen. De waterbouw, eens behorend tot Hollands Glories, ligt ook bij minister Peijs nog aan de laatste mem.

Het belang van vaarwegen om de druk op de autowegen te verlichten staat ook politiek buiten kijf. Zo wordt in de Nota mobiliteit gekozen voor investeringen in de bereikbaarheid van de economische centra, ook over het water. Het goederenvervoer via die modaliteit zal tot 2020 sterk groeien met 50 tot 100 procent afhankelijk van het gekozen scenario.

Ook staat geschreven dat het Rijk zorg draagt voor het realiseren van een betrouwbare vaarweginfrastructuur zonder oponthoud, achterstallig onderhoud wordt weggewerkt en onverwachte stremmingen of diepgangsverminderingen worden voorkomen. Hiervoor is tot 2020 7,5 miljard euro nodig en ook beschikbaar.

Totaal investeert het Rijk tussen 2011 en 2020 10,4 miljard euro in vaarwegen en bijbehorende kunstwerken. Dat is bijna twee maal zoveel als in de jaren negentig beschikbaar was in het tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer.

Daarin zit dan ook het geschikt maken van hoofdroutes voor vierbaksduwvaart en vierlaagscontainervaart. Een aantal andere vaarwegen worden ontdaan van knelpunten door ophoging van bruggen in de Twenthekanalen, IJssel, Maas en de route Lemmer-Delfzijl.

Kortom, kosten noch moeite lijken te worden gespaard om de waterbouwers aan het werk te houden en de vaarwegen op een behoorlijk peil te brengen. Maar zoals Willem Elsschot al liet weten in zijn gedicht Het Huwelijk: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. In dit geval is het vooral gebrek aan geld.

Het Centraal Overleg Vaarwegen, het samenwerkingsverband tussen de eigenvervoerders en -verladersorganisatie EVO, Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaer en Vereniging van waterbouwers in bagger-, kust- en oeverwerken VBKO, signaleert dit al jaren. Bij de presentatie van de begroting 2005 rekende de VBKO nog voor dat ondanks de enorme achterstanden in onderhoud van vaarwegen het totale budget voor de aanleg en het onderhoud van natte infrastructuur in 2005 lager is dan in 2004. In het jaar 2006 dalen de uitgaven opnieuw.

Wat er al aan budget beschikbaar is, wordt dan nog niet eens volledig benut. In de eerste helft van 2004 bedroeg de onderuitputting naar schatting zo�n 30 procent. Dat geld had wat de waterbouwers betreft ingezet kunnen worden om een deel van de achterstand in te lopen.

Onverantwoord, noemt de VBKO dat. Het blijvend lage niveau van de uitgaven tast de productiecapaciteit van de waterbouwsector aan. De capaciteit is hard nodig bij calamiteiten. Daar komt nog bij dat de waterbouw zijn toonaangevende en succesvolle exportpositie slechts kan vasthouden bij een voldoende grote thuismarkt. Daar kunnen nieuwe technieken en werkmethoden worden ontwikkeld en personeel opgeleid.

Ook het COV wijst daarop. De komende jaren is zo�n 700 miljoen per jaar beschikbaar. Dat lijkt veel, maar de achterstanden lopen alleen maar op met zo�n 100 miljoen per jaar. Rijkswaterstaat kan daardoor alleen zogenoemd correctief onderhoud plegen, dat wil zeggen repareren wat stuk is. Penny wise, pound foolish, omdat daardoor de herstelkosten hoger zijn dan noodzakelijk.

Aanpakken van de echte knelpunten is al helemaal niet mogelijk met de bescheiden budgetten. En knelpunten zijn er nog genoeg. Vaarwegen die te ondiep zijn, sluizen die niet geheel bedrijfszeker zijn waardoor het logistieke concept van just-in-time levering in de binnenvaart gevaar loopt en bruggen die te laag zijn voor vier- en vaak zelfs voor drielaagscontainervaart.

Hulpprogramma

Bijkomend probleem is dat er geen hulpprogramma is voor de aanleg van natte terminals ter stimulering van het vervoer over water. Het netwerk van Regionale Overslagcentra staat nog in de kinderschoenen, maar zal zonder stimuleringsmaatregel niet van de grond komen.

Neem daarbij dat grote werken voorlopig ook niet op de markt komen, zo is de Tweede Maasvlakte door de Raad van State gekraakt, en duidelijk is dat de waterbouwsector het de eerstkomende jaren nog moeilijk zal hebben. Dat steekt, omdat de behoefte aan werken er wel is, maar de koopkrachtige vraag achterblijft.

Blijvend laag niveau van uitgaven tast productie aan

Reageer op dit artikel