nieuws

Buitenlandse concurrentie op de Nederlandse bouwmarkt

bouwbreed Premium

In de afgelopen jaren zijn meer buitenlandse bouwbedrijven op de Nederlandse markt actief geworden. Deels door de toenemende Europese integratie, maar vooral door de gunstige conjunctuur enkele jaren geleden en de aanleg van grote infrastructurele projecten. In twee artikelen gaat drs. P.J.M. Groot van het EIB in op de aanwezigheid van buitenlandse bouwbedrijven. In dit eerste artikel staan de buitenlandse bedrijven zelf centraal: welke bedrijven, welke motieven? In een volgend artikel wordt ingegaan op de rol van de opdrachtgever: marktbenadering en nieuwe organisatievormen.

Rond de Europese eenwording in 1992 rapporteerde de Commissie Nijpels dat Nederlandse bouwbedrijven door de opening van de markt meer met buitenlandse concurrentie te maken zouden krijgen. Dit zou zich vooral toespitsen op de �majeure� infrastructuurprojecten. De concurrentie die de Commissie verwachtte, noopte de Nederlandse bouwers tot meer klantgericht werken en het aanbieden van integrale oplossingen.

Een aantal grote infrastructuurprojecten verder kunnen we vaststellen dat op vrijwel al deze projecten buitenlandse bouwbedrijven in de een of andere vorm actief zijn. Bij de realisatie van bijvoorbeeld de hsl, de Betuwelijn, de Noord-Zuidlijn in Amsterdam, de A59 in Noord-Brabant en de waterzuivering Harnaschpolder, hebben buitenlandse bedrijven een belangrijk aandeel.

Samenwerking

Uit een recent EIB-onderzoek komt naar voren dat de buitenlandse bouwbedrijven in de afgelopen tien jaar inderdaad een belangrijker positie op de Nederlandse bouwmarkt hebben gekregen, maar dat internationalisering zeker geen algemeen verschijnsel is. Een verschijnsel dat Nederlandse bouwbedrijven weliswaar als lastig omschrijven, maar niet als bedreigend.

Buitenlandse bouwers kunnen op verschillende manieren in Nederland actief zijn. Ze kunnen rechtstreeks vanaf hun thuisbasis projecten in Nederland uitvoeren. Vanwege de afstand zal dit toch vrijwel tot de grensstreek beperkt blijven.

Bedrijven kunnen verder een nevenvestiging in Nederland openen, van waaruit men werken uitvoert. Buitenlanders kunnen in een samenwerkingsverband projecten uitvoeren. Daarin kunnen ze samenwerken met andere buitenlandse bedrijven en/of met Nederlandse bedrijven. Ook kunnen buitenlandse bedrijven op de Nederlandse markt actief worden door een belang te nemen in een Nederlands bedrijf. Op de Nederlandse bouwmarkt komen de meeste vormen wel voor. Bij de grote gww-projecten gaat het vrijwel steeds om samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven.

Buitenlandse bouwbedrijven zijn er in vele soorten en maten: in grote lijnen kunnen drie typen buitenlandse bouwbedrijven worden onderscheiden. In de eerste plaats de grote internationaal werkende ondernemingen, die Europabreed of mondiaal hun diensten aanbieden aan opdrachtgevers, liefst in integrale pakketten. Daarvan maken ontwerp, aanleg, beheer, exploitatie en soms ook financiering deel uit.

In de tweede plaats zijn er bedrijven die met een uniek specialisme op zoek gaan naar interessante projecten. Deze bedrijven hanteren in feite een �hit and run� strategie: na het voltooien van het project zullen ze de markt veelal weer verlaten omdat de desbetreffende projecten op nationale schaal vaak eenmalig zijn. Tot slot zijn er de bedrijven die in de grensregio�s werken waarbij het buitenland deel uitmaakt van het geografisch marktgebied.

Sommige buitenlandse bedrijven die in Nederland actief zijn, zijn bij uitstek internationaal georiënteerd en halen bijna de helft of meer van hun omzet uit het buitenland (Vinci, Bouygues, BESIX, Skanska), bij anderen is het aandeel van de buitenlandse omzet eigenlijk helemaal niet zo groot (Max Bögl, Züblin en Kajima).

De verschillende onderdelen van de Nederlandse bouwmarkt vertonen een sterk uiteenlopende mate van internationalisering. In de woningbouw beperkt deze zich vooral tot het grensverkeer. In de utiliteitsbouw is internationale concurrentie nagenoeg afwezig, ook bij publieke werken. In de gww daarentegen ondervindt tweederde van de grote bedrijven concurrentie van buitenlandse bedrijven (zie figuur).

Maar ook binnen de gww zijn er grote verschillen. Tunnelbouw met boortechnologie, spoorwegbouw en delen van de betonbouw kennen de groot- ste buitenlandse belangstelling. Deels komt dit doordat sommige Nederlandse opdrachtgevers actief hebben geprobeerd de buitenlandse interesse te stimuleren. Deels hangt dit ook samen met de gevraagde specialismen die in Nederland in onvoldoende mate vertegenwoordigd zijn. (Omgekeerd kunnen ook Nederlandse baggerbedrijven met hun specialismen actief zijn op vele buitenlandse markten.)

Risicospreiding

Een motief voor buitenlandse bedrijven om in Nederland actief te zijn is het veroveren van nieuwe markten, nodig om aan de groeidoelstellingen te voldoen. De Nederlandse markt bood hier enkele jaren geleden met de vele grotere infrastructuurprojecten de mogelijkheden toe. Voor grote internationals was daarnaast risicospreiding, in geografisch opzicht, een motief om de Nederlandse markt te benaderen.

Leidend voor buitenlandse activiteit is veelal het rendementscriterium. Bedrijven streven naar een zekere marge op het werken in het buitenland, onder meer vanwege de grotere risico�s van het werken in het buitenland, of de risico�s van het werk zelf. Gezien de gespannen markt enkele jaren terug was het prijsniveau op zichzelf gunstig voor buitenlandse toetreding. In de huidige marktomstandigheden is dit veel minder het geval.

Internationale concurrentie in u-bouw ontbreekt

Reageer op dit artikel