nieuws

Is publicatie van wegingsfactoren bij gunning verplicht?

bouwbreed

De zaak betrof een aanbestedingsprocedure met voorafgaande selectie voor het vervoer van gehandicapten, waarop de Europese richtlijn Diensten van toepassing is. De aanbestedende dienst bepaalde dat de opdracht gegund zou worden aan de economisch voordeligste aanbieding, waarbij zowel de prijs als de kwaliteit een rol spelen. Zij had een aantal (vrij globale) subcriteria vastgesteld, weergegeven in afnemende mate van belangrijkheid.

Hierbij werd echter niet aangeven welk subcriterium voor welk percentage meetelde; dit werd pas achteraf op verzoek van een afgewezen inschrijver meegedeeld.

Het hof stelt voorop dat de huidige richtlijnen, bij toepassing van het gunningscriterium van de economisch voordeligste aanbieding, de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsmarge laten. Derhalve mogen deze diensten betrekkelijk grove wegingssystemen en -factoren hanteren, mits deze voldoende objectief zijn en voldoende worden gemotiveerd jegens afgewezen inschrijvers.

Wat betreft een eventuele verplichting de wegingsfactoren voorafgaand te publiceren, bepalen de richtlijnen dat de aanbestedende dienst de criteria zo mogelijk in afnemende volgorde van belang behoort te vermelden. Het Europese Hof van Justitie heeft hier aan toegevoegd dat het “relatieve belang” van de criteria bekend gemaakt dient te worden.

De vraag blijft of hieruit volgt dat een algemene verplichting tot bekendmaking van de wegingsfactoren (percentages) per criterium bestaat. Het hof in Den Haag concludeert dat dat niet het geval is: het weergeven van de subcriteria in afnemende mate van belangrijkheid is afdoende.

Opmerkelijk

De uitspraak van het hof is om meerdere redenen opmerkelijk te noemen. In de eerste plaats omdat het Europese Hof van Justitie eind 2002 heeft geoordeeld dat, indien een aanbestedende dienst vóór de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht afwegingsregels heeft opgesteld, deze ook moet publiceren. In de genoemde Haagse zaak waren deze regels inderdaad al vooraf beschikbaar. Toch kwam dat aspect in de procedure niet aan de orde.

In de tweede plaats is de uitspraak opmerkelijk in het licht van de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijn. Deze nieuwe richtlijn, die zoals bekend nog niet in Nederland van kracht is, schrijft voor dat het relatieve gewicht dat toegekend wordt aan de gekozen criteria voor de economisch voordeligste inschrijving in de aankondiging van de opdracht of in het bestek moet worden gespecificeerd.

Daarnaast wordt bepaald dat dit gewicht kan worden uitgedrukt in een marge met een passend verschil tussen minimum en maximum. Pas wanneer dit aantoonbaar niet mogelijk is, worden de criteria in afnemende volgorde van belangrijkheid weergegeven.

Het is duidelijk dat de verplichtingen voor een aanbestedende dienst op grond van de nieuwe richtlijn verder gaan dan het huidige Europese aanbestedingsrecht. Maar betekent dit nu ook dat een aanbesteder op dit moment al rekening dient te houden met het toekomstige, maar nog niet geldende recht? Immers, een dergelijke �anticiperende werking� is niet ondenkbaar, te meer daar de nieuwe richtlijn voor een belangrijk deel de bestaande jurisprudentie codificeert. Het hof Den Haag wil in zijn arrest van een dergelijke anticiperende werking echter niets weten, en oordeelt dat geen goede grond bestaat om vooruit te lopen op de nieuwe Europese wetgeving.

Onzekerheid

De voorlopige conclusie is dan ook dat de huidige onzekerheid omtrent de precieze verplichtingen van een aanbestedende dienst wat betreft het publiceren van wegingsfactoren van gunningscriteria blijft bestaan. Het is derhalve voor een aanbesteder aanbevelingswaardig waar mogelijk een wegingsysteem, bijvoorbeeld in de vorm van een puntenmatrix, op te stellen. Indien een dergelijk systeem op tijd beschikbaar is, kan het publiceren ervan worden beschouwd als �best practice�.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels