nieuws

Herziening nieuwe Wet ruimtelijke ordening

bouwbreed

evenwel op teruggekomen.

Er bestond reeds geruime tijd vanuit verschillende kanten kritiek op de huidige, uit 1962 daterende Wet ruimtelijke ordening. Een belangrijk punt van kritiek betrof het feit dat door de in de praktijk veelvuldig toegepaste artikel 19- of vrijstellingsprocedure afbreuk wordt gedaan aan de centrale functie van het bestemmingsplan binnen het systeem van de ruimtelijke ordening. Door toepassing van deze vrijstellingsprocedure is het mogelijk om een bouwproject dat (op onderdelen) in strijd is met het bestemmingsplan, gerealiseerd te krijgen, zonder dat een langdurige en ingewikkelde procedure tot wijziging van het bestemmingsplan moet worden doorlopen. Daartoe wordt een aanvraag tot vrijstelling ingediend bij de Gemeenteraad (of burgemeester & wethouders), die in bepaalde gevallen, alvorens een vrijstelling kan worden verleend, een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten behoeft.

De procedure neemt 8 tot 16 weken in beslag – heel wat korter dan een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan.

Een belangrijk voordeel van de procedure is, dat de tijdrovende en ingewikkelde procedure tot wijziging van het bestemmingsplan wordt omzeild, zodat sneller zekerheid kan worden verkregen omtrent, en kan worden overgegaan tot, realisatie van het project.

Volgens de minister tast de procedure de centrale functie van het bestemmingsplan aan, hetgeen voor burgers onbegrijpelijk zou zijn. Een bestemmingsplan is middels een zware procedure met diverse inspraakmogelijkheden tot stand gekomen en de burger moet er volgens haar op kunnen vertrouwen dat de gemeente zich hieraan ook houdt. Een vrijstelling brengt met zich mee dat het bestemmingsplan “even niet geldt”. In haar aanvankelijke wetsvoorstel heeft de minister dan ook een streep gehaald door de vrijstellingsprocedure. Degene die een project wenste te realiseren, moest maar een verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan doen. Bovendien is het belangrijkste bezwaar hiertegen – de lange procedure – niet meer aan de orde, nu het wetsontwerp voorziet in een drastische bekorting van de wijzigingsprocedure.

Van diverse kanten is kritiek geuit op het schrappen van de vrijstellingsprocedure. De praktijk is namelijk dat vrij snel vast kan komen te staan wat de hoofdlijnen van een project zijn, zodat zou kunnen worden overgegaan tot realisatie, terwijl de concrete uitwerking van deze hoofdlijnen in een bestemmingsplan meer voeten in de aarde heeft.

De wijziging van het bestemmingsplan kost dus meer tijd dan de minister in haar aanvankelijke wetsvoorstel suggereerde. De minister heeft zich deze kritiek aangetrokken en zij presenteerde eind april 2004 een tweede nota van wijziging, waarin alsnog een met de vrijstellingsprocedure overeenkomende procedure werd geïntroduceerd. Blijkens deze tweede nota van wijziging wenst de minister vast te houden aan de centrale functie van het bestemmingsplan. Het ontwerp voorziet dan ook in een projectprocedure in twee fasen. In de eerste fase wordt een projectbesluit genomen, welk besluit effectueert dat bepalingen van een geldend bestemmingsplan die de realisatie van het project in de weg staan, voor dat project buiten toepassing blijven. Op basis van dit besluit kan de bouwvergunning worden verleend. In de tweede fase wordt het bestemmingsplan in overeenstemming gebracht met dit projectbesluit.

De procedure die in de tweede fase doorlopen moet worden is korter dan een gewone wijzigingsprocedure, maar zij is blijkens het wetsvoorstel niet optioneel. Het niet voldoen hieraan binnen een bepaalde tijd, heeft tot gevolg dat de gemeente geen leges kan incasseren met betrekking tot het betreffende project.

De door de minister gekozen oplossing lijkt zowel recht te doen aan de wens vanuit de praktijk om relatief eenvoudig en snel zekerheid te verkrijgen omtrent de planologische mogelijkheden voor de realisatie van een project, als ook aan de wens van de minister om het bestemmingsplan haar centrale functie terug te geven. Vanuit de vaste kamercommissie is nog niet op dit wetsvoorstel van de minister gereageerd, maar op voorhand roept het wetsvoorstel de nodige vragen op, zodat niet is te verwachten dat het in ongewijzigde vorm de uiteindelijke nieuwe Wet ruimtelijke ordening zal halen. Belangrijk acht ik de vraag in hoeverre de door de minister gekozen oplossing in de praktijk ertoe zal leiden dat gemeenten terughoudender zullen zijn met het nemen van projectbesluiten dan zij nu meewerken aan de verlening van een vrijstelling. Een projectbesluit betekent immers onvermijdelijk dat deze zal moeten worden gevolgd door een tweede procedure tot aanpassing van het bestemmingsplan en een niet tijdige aanpassing betekent direct een financiële strop voor de gemeente. Of zullen zij trachten deze eventuele financiële consequenties contractueel af te wentelen op degene die van het projectbesluit heeft geprofiteerd, zoals dit ten aanzien van nadeelcompensatie gebruikelijk was?

Een ontwikkelaar die vaker zaken met gemeenten wil doen, zal, zelfs als hier een wettelijke grondslag voor zou ontbreken, hier wellicht best aan mee willen werken. Op deze wijze wordt het risico gelopen dat de centrale functie die de minister in haar wetsontwerp het bestemmingsplan wil teruggeven, op den duur toch weer verwaterd.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels