nieuws

Poldermodel werkt niet bij dijken

bouwbreed

delft – Versneld aanpakken van risicovolle veenkades, zoals dat eigenlijk moet gebeuren, is sterk afhankelijk van politieke wil. Het op compromissen gebaseerde poldermodel werkt daarbij eerder tegen dan mee. Dat geldt niet alleen voor de rijksoverheid, ook de bestuurlijke kracht van provincies en waterschappen is een punt van zorg, zo meent de Delftse hoogleraar Han Vrijling. Want hij wil niet leren leven met water dat ongevraagd ook zijn woning kan binnenstromen.

Vrijling is niet alleen hoogleraar waterbouwkunde, maar ook voorzitter van de werkgroep Veiligheid van de Technische Adviescommissie Waterkeringen (TAW). Tijdens zijn gesprek met Cobouw laat hij een kaart uit 1993 zien, waarop in rood staat aangegeven wat in het westen van het land de, volgens de toenmalige inzichten, meest risicovolle binnendijken zijn. Het waterrijke veengebied rond Wilnis, beter bekend als de Ronde Venen, is daarbij behoorlijk rood gekleurd.

Vrijling: “Na de dijkafschuiving in Wilnis heb ik geen zicht op wat daar in de afgelopen jaren verder nog gedaan is aan versterking van de dijken, maar ik wordt er wel steeds nieuwsgieriger naar.”

Natte voeten

De hoogleraar herinnert zich namelijk nog heel goed, dat sommige risicovolle boezemkaden in de jaren negentig meteen zijn aangepakt, zoals de Rottekade in het noordelijk deel van Rotterdam.

Voor hemzelf een bijzonder interessante ervaring, aangezien hij in het naastliggende laaggelegen gebied woont. Uitspraken als van onze kroonprins over �Leren leven met water� krijgen dan een geheel andere lading, vindt hij.

Wat dat betreft viel Wilnis hem achteraf – gelukkig – nog mee. Het water in de getroffen woonwijk stond er, mede door snel ingrijpen van een aannemer, niet zo hoog als dat het in de gemiddelde West-Nederlandse polder zou kunnen staan, aldus Vrijling, die daarbij zijn hand ter illustratie op gezichtshoogte houdt. Inderdaad, tot net iets hoger dan de lippen. Van veendijken kun je één ding niet zeggen: dat ze door ingenieurs zijn ontworpen. Naar de mate van veiligheid moeten we dan ook gissen, ergo, er valt niet te rekenen met een ontwerpveiligheid. Vandaar dat professor Vrijling pleit voor het opstellen van een veiligheidsfilosofie voor binnendijken, zoals we die al wel hebben voor primaire waterkeringen zoals zeeweringen en rivierdijken.

En hoewel hij uiteraard beseft dat wetten en regels op een gedegen ondergrond moeten zijn gefundeerd, heeft hij grote moeite met trage besluitvorming. Zes jaar wachten op een wetenschappelijke onderbouwing van het bezwijkmechanisme, zoals we dat in Wilnis hebben leren kennen, is hem te lang. Daar is onze veiligheid niet bij gebaat.

Vrijling: “Ik ben in dat opzicht geen wetenschapper, maar ingenieur.” Hetgeen betekent dat hij kiest voor nadenkend handelen, ofwel voor het nu aanpakken van risicovolle dijken, ook al weten we nog niet hoe het bewijkmechanisme bij verdrogende veendijken precies werkt. “Je hoeft in eerste instantie alleen maar te weten hoe je de dijken veiliger maakt en dat is vrij snel proefondervindelijk aan te tonen.”

De proeven met een surfactant, een zeepachtige middel om de dijken vocht te laten vasthouden, zijn hem te vaag. “Daar ben je dan continu mee bezig. Ik kies liever voor een klassieke civieltechnische oplossing – in dit geval verzwaren met klei – want daar zijn we als Nederlanders goed in.”

“De zorg voor onze dijken vergt maar iets van een half procent van ons nationale inkomen, dus dat kunnen we ons best permitteren”, zo repliceert Vrijlink de opmerking dat dijkversterking een heleboel geld kost. “Als je er op tijd bij bent kun je het technisch goed voorbereiden en financieel netjes beheersen door het over meerdere jaren uit te smeren. Het gaat in mijn optiek veel meer om voldoende bestuurskracht en politieke wil. Ministers en parlementariërs varen te vaak blind op de informatie die ze vanuit het ambtelijk apparaat krijgen aangereikt.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels