nieuws

Zeer gebrekkige aanbesteding

bouwbreed

Uit het in opdracht van het ministerie van Economische Zaken uitgevoerde onderzoek Nalevingsmeting Aanbesteden 2002 bleek (in het jaar 2002) dat slechts in 12 procent van het aantal aanbestedingen aan de verplichtingen te zijn voldaan. De laagste nalevingsgraad werd geconstateerd bij gemeenten en HBO-instellingen. Een recent in het tijdschrift Bouwrecht gepubliceerd vonnis (RvA, 10 april 2002, No. 24.150, BR 2004, p. 270 e.v.) bevestigt deze conclusie.

De casus is als volgt. Namens de gemeente heeft een externe directie/adviseur theatertechniek alle in Nederland op het gebied van theatertechniek werkzame installatiebedrijven (drie in aantal) uitgenodigd om vrijblijvend een offerte uit te brengen op twee bestekken. Het betreft de levering en montage van toneelmechanische installaties met een draagkracht tot 500 kg respectievelijk 300 kg.

Het bestek omschrijft de aanbesteding als �niet-openbaar� waarop van toepassing is het UAR-EG 1991, voor zover niet in strijd met de Richtlijn Werken (93/37/EEG). De inschrijfbiljetten zijn niet in een bus gedeponeerd en zijn buiten aanwezigheid van de inschrijvers tijdens een �ontwerpvergadering� door de projectmanager van de gemeente geopend.

Jurisprudentie

Eiser in deze procedure heeft alleen ingeschreven voor een installatie met een draagkracht van 500 kg. Zijn prijs is lager dan die van de overige twee inschrijvers. Uit het proces-verbaal van aanbesteding blijkt verder dat slechts één inschrijver op beide bestekken heeft ingeschreven. De adviseur van de gemeente motiveert de beslissing om niet aan eiser te gunnen met de mededeling dat om budgettaire redenen is besloten om het theater uit te rusten met een installatie van 300 kg.

Naast de gemeente probeert eiser de directie/adviseur theatertechniek in rechte aan te spreken voor de vermeende onjuiste gunningsbeslissing. Hij meent hiertoe gronden te kunnen ontlenen aan recente jurisprudentie van de gewone rechter. Arbiters van de Raad van Arbitrage voor de Bouw gaan hier echter niet in mee. Zij zijn van oordeel dat adviseurs of begeleiders bij een aanbesteding niet behoren tot de kring van betrokkenen. Alleen gegadigden, inschrijvers en aanbesteders behoren hiertoe, naast de expliciet in het UAR-EG 1991 genoemde belangenverenigingen die zich tot doel stellen zowel de collectieve als individuele belangen van leden te behartigen.

Verder oordelen arbiters in dit geschil dat uit het van toepassing verklaren van de Richtlijn Werken en het UAR-EG 1991 volgt dat het werk openbaar en Europees had moeten worden aanbesteed. De werkelijke gang van zaken is in sterke mate afwijkend geweest van en in strijd met deze regelgeving en de daarin opgenomen waarborgen. De erkenning van de gemeente dat de aanbesteding �geen schoonheidsprijs verdient� wordt door arbiters aangeduid als een eufemisme. “Eerder is sprake van een in vele opzichten zeer gebrekkige aanbesteding”, aldus arbiters.

Geen ongeldigverklaring

Ondanks de gebrekkige aanbesteding meent eiser dat het werk toch aan hem moet worden gegund. Naar het oordeel van arbiters heeft deze stelling tot gevolg dat niet aan een ongeldigverklaring van de gehouden aanbesteding kan worden toegekomen. Aangezien er verder geen sprake is van misgelopen rechten van derden ligt een ambtshalve ongeldigverklaring ook niet in de rede.

In deze lijn voortredenerend komen arbiters tot de conclusie dat de inschrijving van eiser niet besteksconform is geweest. Door na te laten om in te schrijven op de variant van 300 kg is de inschrijving op grond van art. 25 UAR-EG 1991 ongeldig. Overigens bleek tijdens de zitting dat eiser ook in enkele andere opzichten niet voldeed aan de bij deze aanbesteding gestelde inschrijf- en geschiktheidseisen. Arbiters konden in deze procedure derhalve niet anders doen dan de vorderingen van eiser afwijzen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels