nieuws

Western red cedar onder vuur

bouwbreed

(eind-)gebruiker van het bouwwerk?

De toepassing van onbehandeld western red cedar wordt onder de loep genomen door het Arbitrage Instituut voor de Bouwkunst. In een recent gepubliceerd artikel heeft dit Instituut hieraan aandacht besteed. Het is niet de eerste keer dat arbiters zich hierover buigen: de zaak is een mooi voorbeeld van een zaak waarin alle bij de bouw betrokken partijen juridisch de degens kruisen om onderling uit te maken wie van hen aansprakelijk moet worden gehouden voor schade als gevolg van een gebrek in een bouwwerk. In de onderhavige kwestie laat de opdrachtgever door een architect een appartementsgebouw ontwikkelen. De bouw hiervan wordt opgedragen aan een hoofdaannemer die met de eindafnemers een koop-/aannemingsovereenkomst sluit.

Ongeschiktheid

De hoofdaannemer sluit op haar beurt een aannemingsovereenkomst met een onderaannemer voor het leveren en monteren van gevelelementen in het door haar te realiseren appartementencomplex. De eindgebruikers spreken, op grond van de GIW-garantie, de hoofdaannemer aan terzake van schade als gevolg van de kwaliteit van de kozijnen die, overeenkomstig het ontwerp, zijn uitgevoerd in onbehandeld western red cedar. Op haar beurt start de hoofdaannemer een vrijwaringsprocedure tegen opdrachtgever en een arbitrageprocedure tegen de onderaannemer. Met betrekking tot ongeschiktheid van voorgeschreven bouwmaterialen wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten van ongeschiktheid. Allereerst kan zich de situatie voordoen dat een bouwstof beschadigd is of anderszins een mankement vertoont, zonder dat de betreffende bouwstof op zich niet geschikt is voor het beoogde gebruik. In dat geval is er sprake van specifieke gebrekkigheid. Daarnaast is het mogelijk dat de bouwstof als zodanig niet geschikt is voor het doel waarvoor zij is bestemd. In dit laatste geval spreekt men van functionele ongeschiktheid. De UAV 1989 bevat overigens als enige standaardregeling in paragraaf 5 lid 4 een bepaling ten aanzien van functionele ongeschiktheid van voorgeschreven bouwstoffen. De bepaling houdt in dat de opdrachtgever aansprakelijk is voor functionele ongeschiktheid van door haar voorgeschreven bouwstoffen. Uit de diverse arbitrale vonnissen in de onderhavige zaak, blijkt evenwel dat de Raad van Arbitrage en het Arbitrage Instituut voor de Bouwkunst anders kunnen oordelen over de vraag of een bouwstof al dan niet functioneel ongeschikt is, met naar mijn mening een onwenselijk resultaat. In 1999 oordeelt de Raad van Arbitrage in de procedure tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer, op welke rechtsverhouding de UAV 1989 van toepassing is, dat de keuze voor onbehandeld western red cedar niet gelukkig is eens te meer gezien de toegepaste dimensionering. Hoewel de onderaannemer zich volgens de Raad van Arbitrage voldoende duidelijk en afdoende had geëxonereerd, oordeelt zij primair dat western red cedar naar haar aard niet geschikt is als bouwstof voor de beoogde bestemming en daarmee de hoofdaannemer – ten minste ten aanzien van dit gedeelte van de schade – aansprakelijk houdt voor de geleden schade (in deze rechtsverhouding heeft immers de hoofdaannemer te gelden als opdrachtgever). Impliciet wijst zij zelfs de architect als verantwoordelijke partij aan en in de vrijwaringprocedure tussen de hoofdaannemer en de opdrachtgever wordt door de Raad van Arbitrage zelfs expliciet verwezen naar de verantwoordelijkheid van de architect te dezen. Deze opvatting wordt evenwel door het Arbitrage Instituut niet gedeeld.

Ontwerpfout

In het arbitraal vonnis in de zaak die door de opdrachtgever was aangespannen tegen de architect buigt het Arbitrage Instituut zich over de vraag of er sprake is van een ontwerpfout van de zijde van de architect, waarvoor deze., op grond van het bepaalde in artikel 61 lid 1 van de toepasselijke SR 1988, aansprakelijk moet worden gehouden. Gezien de eerdere uitspraken van de Raad van Arbitrage lijkt het voor de hand te liggen, zoals door de opdrachtgever ook wordt aangevoerd, dat nu de architect blijkbaar in zijn ontwerp gebruik heeft gemaakt van een functioneel ongeschikte bouwstof, er sprake is van een ontwerpfout.

Het Arbitrage Instituut meent echter dat de architect in zijn keuze voor toepassing van western red cedar zorgvuldig te werk is gegaan, zodat er geen sprake is van een verwijtbare ontwerpfout. Ten aanzien van de eerdere arbitrale vonnissen van de Raad van Arbitrage stelt het Arbitrage Instituut dat deze vonnissen niet met zich meebrengen dat western red cedar op zichzelf ongeschikt is voor de bestemming die daaraan gegeven is, maar dat de dimensionering en detaillering – die was opgedragen aan de hoofdaannemer – debet zijn geweest aan de ontstane schade. Deze conclusie wekt verbazing, nu de Raad van Arbitrage nu juist had geoordeeld dat western red cedar een naar haar aard ongeschikte bouwstof was.

Het gevolg van deze vonnissen is wel dat zowel de hoofdaannemer als de opdrachtgever ingeklemd zitten tussen twee tegenstrijdige vonnissen. Het is dan ook de vraag hoe de Raad van Arbitrage uiteindelijk zal oordelen in het hoger beroep dat door de opdrachtgever is aangespannen tegen de hoofdaannemer.

W. Maarten van Luijn

DLA SchutGrosheide Advocaten Notarissen Belastingadviseurs in Amsterdam

Willemmaarten.vanluijn@dlacom

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels