nieuws

Beschermde dieren hoeven bouwprojecten niet te vertragen

bouwbreed Premium

bestuursrechtspraak van de Raad van State voorlopig een streep gezet door de ontwikkeling van IJburg tweede fase. Het bestemmingsplan dat de aanleg van een aantal kunstmatige eilanden waarop 9.500 woningen zijn geprojecteerd in ruimtelijke zin mogelijk moest maken, is vernietigd. Eén van de grondslagen voor de vernietiging vormt de omstandigheid dat onvoldoende duidelijk is welke effecten IJburg tweede fase heeft op de driehoeksmossel. Deze mossel is een belangrijke voedingsbron voor een aantal in het IJmeer voorkomende eendensoorten.

De uitspraak heeft tot nogal wat onrust geleid. Naast de Amsterdamse wethouder van ruimtelijke ordening die de vertraging van �IJburg� wijt aan de te ruimhartige rechtsbeschermingsmogelijkheden tegen ruimtelijke besluiten menen anderen dat Nederland is doorgeschoten in de bescherming van dieren en planten. In Elsevier werd op 18 september 2004 – naar aanleiding van een aantal andere gevallen – zelfs gesproken van �de natuur-idiotie�.

De indruk wordt gewekt dat grote projecten, zoals de aanleg van de Westerschelde-containerterminal, de N201, het grensoverschrijdend bedrijventerrein Heerlen-Aachen en �IJburg tweede fase� al dan niet tijdelijk zijn tegengehouden door de drieteenstrandloper, rugstreeppad, korenwolf en driehoeksmossel. Maar is dit beeld wel terecht?

Richtlijnen

Op Europees niveau zijn afspraken gemaakt over de bescherming van dieren en planten. Deze afspraken zijn neergelegd in een tweetal Richtlijnen van de Europese commissie, te weten de Vogel- en Habitatrichtlijn. In deze richtlijnen zijn bepalingen over gebieds- en soortenbescherming neergelegd. De werking van de Habitatrichtlijn is voor de bouw het meest van belang.

De voorschriften uit de richtlijnen komen globaal hier op neer dat het verboden is schade aan te richten in daartoe aangewezen gebieden met bijzondere natuurwaarden (speciale beschermingszones) en/ of beschermde dier- en plantensoorten. Er is een uitzondering mogelijk voor plannen of projecten die van groot maatschappelijk belang zijn. Deze plannen of projecten mogen alleen doorgang vinden wanneer zij noodzakelijkerwijs op de voorgenomen locatie en op de voorgenomen wijze moeten worden gerealiseerd en daarbij zo min mogelijk schade wordt aangebracht aan de natuur.

In bepaalde gevallen is compensatie van negatieve effecten voor de natuur noodzakelijk. Vragen over �gebiedsbescherming� en �soortenbescherming� zijn vaak aan de orde bij besluiten met een ruimtelijke uitstraling. Te denken valt aan het vaststellen van planologische kernbeslissingen, streekplannen en bestemmingsplannen, maar ook het verlenen van bouwvergunningen, aanlegvergunningen, vrijstellingen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening en milieuvergunningen. Wanneer de planontwikkelaar een locatie op het oog heeft dient hij – vóórdat andere activiteiten, waaronder het verwerven van grond, worden verricht – na te gaan of het plangebied is gelegen in de nabijheid van een speciale beschermingszone en of er in het plangebied beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn.

De benodigde gegevens zijn relatief eenvoudig te verkrijgen. Vervolgens dient te worden nagegaan of het voorgenomen plan negatieve gevolgen kan hebben op de speciale beschermingszone of beschermde dier- en plantensoorten.

Om de planontwikkeling te kunnen voortzetten zonder onnodige risico�s dient de bouwer op dit punt vooraf zekerheid te verkrijgen. Het is dan onder meer van belang dat exact duidelijk is wat zal worden aangelegd en op welke wijze dat gebeurd. �IJburg� is over dit punt gestruikeld. De exacte ligging van de aan te leggen eilanden was volgens de Afdeling bestuursrechtspraak onvoldoende duidelijk waardoor de gevolgen voor de driehoeksmossel niet goed konden worden vastgesteld.

De Afdeling bestuursrechtspraak is tevens van oordeel dat ten onrechte slecht één inrichtingsvariant is beschouwd, te weten de variant met kunstmatige eilanden. Daarnaast diende nog te worden nagegaan of er een andere inrichtingsvariant mogelijk was die minder schadelijke gevolgen zou hebben voor de speciale beschermingszone of beschermde dier- en plantensoorten. Dit is te meer van belang omdat het bestemmingsplan �IJburg tweede fase� een andere inrichtingsvariant niet uitsloot.

Onaangenaam

Wanneer wel negatieve gevolgen te verwachten zijn dient te worden nagegaan of er een maatschappelijke noodzaak bestaat voor het voorgenomen plan en of er mogelijkheden zijn het plan zodanig aan te passen dat schade aan de speciale beschermingszone en/of beschermde dier- en plantensoorten zoveel mogelijk wordt voorkomen. Wanneer deze stappen zijn doorlopen kan de planontwikkeling worden voortgezet, zij het dat het noodzakelijk kan zijn dat het oorspronkelijke plan wordt aangepast. Wanneer blijkt dat niet aan de voornoemde criteria kan worden voldaan dan dient de conclusie te worden getrokken dat het gehele project niet doorgaat. Daarvan zal niet snel sprake zijn.

Bij het doorlopen van de in de richtlijnen voorgeschreven stappen is het noodzakelijk de laatste inzichten over de interpretatie van de richtlijnen in het oog te houden.

Over de uitleg van de in de richtlijnen neergelegde criteria ontstaan onder invloed van van de rechtspraak regelmatig gewijzigde inzichten. Dit blijkt wel uit de omstandigheid dat het bestemmingsplan �IJburg eerste fase� destijds de Afdeling bestuursrechtspraak zonder kleerscheuren is gepasseerd, terwijl daarbij uit is gegaan van een onjuiste – voor IJburg gunstige – uitleg van de richtlijnen. Deze onjuistheid kwam pas aan het licht naar aanleiding een uitspraak in een andere zaak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ruim een jaar nadat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak had gedaan. Het is dus van belang op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen op dit gebied.

Wanneer voornoemde stappen op een juiste wijze zijn doorlopen en dit op een juiste wijze wordt gemotiveerd zal de planontwikkelaar doorgaans niet onaangenaam worden verrast met bijvoorbeeld de vernietiging van het bestemmingsplan. Vooral omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voornamelijk nagaat of de stappen zijn gezet en of de motivering redelijk is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het werk van de planontwikkelaar niet overdoen.

Als de planontwikkelaar in een vroeg stadium op de juiste wijze uitvoering geeft aan de genoemde verplichtingen is er snel duidelijkheid over de (on)mogelijkheid om een bepaald project op de voorgenomen locatie te realiseren en niet pas na het jarenlang voeren van onnodige procedures.

Mr M. van Geilswijk

Advocaat bij AKD Prinsen Van Wijmen N.V., Rotterdam

mvangeilswijk@akd.nl

Uitspraak heeft tot nogal wat

onrust geleid

Reageer op dit artikel