nieuws

Vooral transport onderbelicht in beleid bouwgrondstoffen

bouwbreed Premium

Tot nu toe ontbreekt het volgens Paul Groot en Bert van der Moolen aan inzicht in de ruimtelijk-infrastructurele voorwaarden en effecten van de koerswijziging van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat ten aanzien van bouwgrondstoffen.

De recente wijzigingen in het nationale beleid voor de bouwgrondstoffenvoorziening hebben een situatie van grote onzekerheid gecreëerd voor zowel de sector, de vergunningverlenende instanties als andere betrokkenen.

Opnieuw is een ingezette koers onverwacht en verrassend veranderd zonder goed te weten wat de nieuwe ankerplaats gaat worden. Het is ongewis welke gevolgen de introductie van �marktwerking� op dit beleidsterrein heeft voor de wijze waarop de behoefte wordt ingevuld: winning uit landlocaties, inzet van secundaire grondstoffen, winning uit zee, import uit het buitenland.

Gezien het grote aantal verkeersbewegingen en transportkilometers dat wordt gegenereerd door het vervoer van bouwgrondstoffen – en ook bouwmaterialen – van aanbod- naar vraaglocatie, heeft de toekomstige invulling van de grondstoffenbehoefte grote gevolgen voor de beschikbare infrastructuur. Daarbij komt al snel het woord duurzaamheid ter sprake. Uit recente cijfers van het ministerie van Verkeer en Waterstaat blijkt dat van de bouwgrondstoffen die uit de Nederlandse bodem (exclusief Noordzee) worden gewonnen jaarlijks zo�n 40 miljoen ton via de binnenvaart wordt vervoerd en 45 miljoen ton per vrachtauto.

De import uit Duitsland geschiedt vooral per binnenschip. Voor de transportsector is het vervoer van bouwgrondstoffen en -materialen dan ook een belangrijke markt.

De voorziening in de verschillende bouwgrondstoffen in Nederland gaat gepaard met sterk uiteenlopende ruimtelijke en infrastructurele condities. Sommige grondstoffen kennen relatief beperkte voorkomens en de �toevallige� aanbodlocaties bepalen voor een groot deel het noodzakelijk ruimtebeslag en de noodzakelijke transportmodus. Andere grondstoffen zijn ruimer voorhanden, ook regionaal bezien, en/of hebben een groter aantal mogelijke vervangers, hetzij uit de primaire hetzij uit de secundaire sfeer.

Het �oude� grondstoffenbeleid waarin voor beton- en metselzand en grind met taakstellingen werd gewerkt, stond voor sommige grondstoffen winning uit een beperkt aantal grote locaties voor. Hoewel dit beleid geen doorslaand succes is geworden, kende deze keuze wel het voordeel van de afvoermogelijkheden per schip. In het model dat de taakstelling voor beton- en metselzand over de provincies verdeelde, was de nabijheid van �groot vaarwater� een afzonderlijke parameter. In het nieuwe beleid is hierover niets geregeld. Maar ook, of misschien wel juist, onder het regime van marktwerking in de grondstoffenvoorziening kan de vraag naar de capaciteit en kwaliteit van de transportinfrastructuur worden gesteld. Het vervoer zelf wordt door de markt geregeld, maar de aanleg en het beheer van de infrastructuur is een overheidstaak.

Wanneer maatschappelijk gewenste winningsprojecten stuiten op problemen met de infrastructuur, dan is het aan de overheid om deze te faciliteren. Maar ook is overheidsbemoeienis gewenst in verband met de negatieve externe effecten van het transport. Hierbij kan even goed worden gedacht aan de vaarweginfrastructuur (sluizen, vaardiepte, overslagfaciliteiten) als aan de weginfrastructuur (ontsluitingswegen, overlast van vrachtverkeer). Kortom: inzicht in de gevolgen die marktwerking heeft voor ruimte en infrastructuur in ons kleine en dichtbevolkte landje is onmisbaar om van een duurzame grondstoffenvoorziening te kunnen spreken.

Kleinschaliger

De vraag naar de mate waarin de huidige infrastructuur in ruime zin voldoende mogelijkheden biedt voor de toekomstige bouwgrondstoffenvoorziening speelt op verschillende plaatsen een rol. Zo heeft de inzet van meer Noordzeezand voor ophoogzanddoeleinden consequenties voor de behoefte aan aanlandingslocaties en overslagfaciliteiten aan de kust en voor de kwaliteit en kwantiteit van de vaarwegverbindingen naar het achterland. Maar ook meer import vanuit het buitenland heeft gevolgen voor de vereiste transportinfrastructuur. Het maakt daarbij uit of bijvoorbeeld onze oosterburen in een groot deel van de grovere granulaten blijven voorzien of dat verder weg gelegen landen met deels andersoortige substituten een grotere rol gaan spelen voor de Nederlandse bouw. En mocht de toekomstige situatie in Nederland er een zijn waarbij projecten met maatschappelijke meerwaarde vooral in kleinschaliger locaties op land worden gerealiseerd, dan heeft dat weer heel andere gevolgen voor de transportinfrastructuur. Zo kunnen maatschappelijk gewenste locaties voor wat betreft de afvoer van grondstoffen problematisch gelegen zijn omdat transport vrijwel uitsluitend per vrachtauto zou kunnen plaatsvinden tenzij nieuwe transportinfrastructuur zou worden aangelegd.

In de recent door het kabinet uitgebrachte Nota mobiliteit wordt nog eens het belang van een adequate infrastructuur voor de economische ontwikkeling onderstreept. Tegelijkertijd zijn er nog grote onderhoudsachterstanden bij zowel wegen, vaarwegen als spoorwegen. Vooral op regionaal niveau kunnen infrastructurele knelpunten gewenste ontwikkelingen in de weg staan.

Aan de provincies zal in de nieuwe situatie een grotere mate van vrijheid worden gelaten in samenspel met de marktpartijen, het ontgrondend bedrijfsleven. Duidelijk is dat het nieuwe beleid een grotere inbreng van de provincies zal betekenen in het omgaan met het planningsvraagstuk van nieuwe ontgrondingen. Interessant is dat de provincies naast vergunningverlenende instantie ook beheerder van transportinfrastructuur als wegen en vaarwegen zijn.

In de overeenkomst die door rijk en provincies is gesloten over de toekomstige bouwgrondstoffenvoorziening (het zogeheten VIBO-programma) zijn de ruimtelijke aspecten van de grondstoffenvoorziening terecht een belangrijk thema.

Hoe provincies in de toekomst de aanvragen voor nieuwe of uitbreiding van bestaande ontgrondingen precies gaan afwegen, toekennen of afwijzen staat nu nog open. Wellicht zou in de bouwgrondstoffentoets die in de Nota ruimte is geïntroduceerd ook aandacht moeten worden besteed aan de ruimtelijk-infrastructurele voorwaarden en effecten.

In Nota mobiliteit wordt belang infrastructuur

onderstreept

Reageer op dit artikel