nieuws

Verhouding leverancier en garantieverklaring

bouwbreed Premium

In een onlangs gepubliceerde uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA 24 februari 2003, nr. 70527) diende de Raad te oordelen over de vraag wie aansprakelijk is voor een gebrekkige bouwstof. De bouwstof diende van een door de opdrachtgever voorgeschreven leverancier betrokken te worden. Daarbij had de aannemer op basis van het […]

In een onlangs gepubliceerde uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA 24 februari 2003, nr. 70527) diende de Raad te oordelen over de vraag wie aansprakelijk is voor een gebrekkige bouwstof. De bouwstof diende van een door de opdrachtgever voorgeschreven leverancier betrokken te worden. Daarbij had de aannemer op basis van het bestek een garantieverklaring afgegeven.

In deze zaak speelde het volgende. In het door de opdrachtgever opgestelde bestek is bouwvilt van een bepaalde leverancier voorgeschreven. Het bouwvilt van de voorgeschreven leverancier is door de aannemer toegepast.

Enige jaren na oplevering van het werk bleek dat het vilt door mottenvraat was vergaan. Hierop heeft de opdrachtgever de aannemer aangesproken op basis van de door de aannemer verstrekte garantie van 10 jaar op alle bouwkundige onderdelen van het werk, waaronder begrepen de goede kwaliteit van de gebruikte materialen. De aannemer heeft het beroep op de garantie afgewezen.

Uit deskundigenonderzoek is gebleken dat bij de productie van het vilt een bestrijdingsmiddel tegen vliegende insecten is toegepast die een beperkte werkzame periode had. Eventuele eitjes van deze insecten konden de werkzame periode van het bestrijdingsmiddel overleven en vervolgens het vilt aantasten. De aannemer was op grond hiervan van mening dat de bouwstof functioneel ongeschikt was en hij derhalve op grond van paragraaf 5 lid 4 UAV �89 niet aansprakelijk was. Uit het deskundigenonderzoek bleek voorts dat tot ongeveer 2 jaar voor de uitvoering van het werk een ander bestrijdingsmiddel werd gebruikt dat een werkzame tijd van 10 jaar had. Dit bestrijdingsmiddel was ten tijde van de uitvoering van het werk en levering van het bouwvilt in Nederland verboden. Reden waarom de fabrikant het andere, korter werkende middel had toegepast.

Het productieproces en met name het toegepaste bestrijdingsmiddel tegen insecten, was dus gewijzigd.

De Raad van Arbitrage oordeelde dat het door de opdrachtgever voorgeschreven bouwvilt functioneel ongeschikt was. Daarbij oordeelde de Raad dat de door de aannemer afgegeven garantie geen afbreuk doet aan de aansprakelijkheidsverdeling die volgt uit § 5 lid 4 van de UAV.

Arbiters overwogen: “Indien, zoals in het onderhavige geval, een voorgeschreven bouwstof door de wijziging in het productieproces reeds in het algemeen niet (meer) de nodige functionele eigenschappen bezit die van dit product verwacht mochten worden, is het naar het oordeel van arbiters niet zo dat een aannemer op grond van een als in § 22 UAV 1989 bedoelde garantieverklaring met betrekking tot de verwerkte bouwstoffen, ervoor heeft in te staan dat het voorgeschreven product die ontbrekende eigenschappen toch bezit.

De aannemer dient er op grond van de garantieverklaring wel voor in te staan dat de al dan niet voorgeschreven verwerkte bouwstoffen geen specifieke gebreken bevatten, maar dergelijke gebreken zijn in het onderhavige geval niet aan de orde gesteld”.

De vordering van de opdrachtgever tot vergoeding van de herstelkosten van het bouwvilt werd dan ook afgewezen.

Uit deze uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw blijkt dat de opdrachtgever en diens bestekschrijver zorgvuldig en terughoudend dienen om te gaan met het voorschrijven van leveranciers.

Reageer op dit artikel