nieuws

Logboek geeft veiligheidsgarantie voor noodverlichtingsinstallaties

bouwbreed Premium

rotterdam – Houders van een gebruiksvergunning voor gebouwen moeten binnenkort kunnen aantonen dat ze hun noodverlichtingsinstallatie op orde hebben. De gemeenten Castricum en Tilburg hanteren nu al deze bewijsplicht. Een logboek waarin inspecties en alle getroffen maatregelen zijn beschreven levert het gevraagde bewijs.

Het kennisinstituut voor de installatiesector ISSO publiceerde een richtlijn voor de inspectie en het onderhoud van noodverlichtingsinstallaties.

Het valt niet mee om te voldoen aan de regelgeving voor noodverlichting. Die is volgens projectleider ir. G. van Dijk van het ISSO onduidelijk. Noodverlichting komt voort uit het Bouwbesluit; de bijbehorende aanduiding van de vluchtroute uit de Bouwverordening. De normen NEN 1010 (elektriciteit) en NEN 1838 (verlichting) sluiten niet aan op de (bouw)regelgeving. Soms zodanig dat bepaalde artikelen elkaar over en weer tegenspreken. De markt kan de onduidelijkheid wegnemen met eigen regels. Die kunnen bijvoorbeeld voorschrijven dat een deskundige minstens één keer per jaar de installatie naloopt.

Over het geheel genomen kan er wel wat verbeteren aan de noodverlichting, vindt Van Dijk. De Nederlandse Vereniging van Fabrikanten van Noodverlichting (NVFN) en de installateursorganisatie Uneto-VNI ontvangen klachten over slecht functionerende installaties. Die mankementen zijn vaak het gevolg van slecht onderhoud. Na de aanleg wordt er doorgaans nauwelijks meer naar gekeken. Daarmee schept de installatie een schijnveiligheid. Inspecties van bijvoorbeeld decentrale systemen tonen aan dat de accu in het armatuur vaak versleten is en nauwelijks nog energie afgeeft. En bij verbouwingen wordt de installatie niet altijd aangepast. Details die Bouw en Woningtoezicht en de brandweer soms niet opvallen.

De markt heeft volgens Van Dijk voldoende kennis om zelf toe te zien op de kwaliteit van de noodverlichtinginstallatie.

De NVFN ontwikkelde een �checklist voor een goede noodverlichting�. Het ISSO geeft in Publicatie 79 een richtlijn voor de inspectie en het onderhoud van noodverlichtingen. Vooraf aan een inspectie moet een zogeheten nulmeting plaatsvinden. Het ISSO ontwikkelde voor de installateursleden van UNETO-VNI een inspectieformulier.

Een inventarisatie schept vooraf duidelijkheid in de opbouw van de installatie. Daaruit blijkt bijvoorbeeld of �gewone� armaturen geschikt zijn gemaakt voor noodverlichting. Zulke aangepaste armaturen vallen niet altijd op. Het noodverlichtingsdeel ligt vaak op het plafond zodat de LED die de status weergeeft niet te zien is. Van Dijk pleit ervoor dat ook gewijzigde armaturen aan de geldende productnorm voor noodverlichtingen voldoen.

Veel fabrikanten leveren armaturen met de mogelijkheid ze te koppelen aan een automatische testsysteem. In het overgrote deel van de gebouwen ontbreekt evenwel de infrastructuur om die meldingen door te geven aan het gebouwbeheersysteem. Sommige producten geven zelf met led�s de melding door en vergemakkelijken zo de taak van de inspecteur. Die moet echter meer doen dan alleen �lampjes kijken�. Hij moet er ook op toezien dat de installatie in overeenstemming is met de situatie in het gebouw.

Noodverlichting die aan wet en regel voldoet springt volgens NEN 1010 automatisch binnen vijf seconden aan nadat de gewone verlichting is uitgevallen. Het Bouwbesluit eist een omschakeling binnen vijftien seconden. De noodverlichting moet minstens zestig minuten blijven branden. NEN 1010 schrijft voor dat de noodverlichting ook aan moet gaan wanneer de spanning voor de algemene verlichting beneden 70 procent van de nominale waarde is gedaald. Met het inschakelen van de noodverlichting moet ook de vluchtroute worden aangeduid. De regelgeving maakt een onderscheid tussen noodverlichting en vluchtrouteaanduiding. In de praktijk daarentegen zelden.

Van Dijk waarschuwt ervoor dat de regels niet in alle gevallen de veiligheid garanderen. Hij illustreert dat met het voorbeeld van een theater waarin een centrale noodverlichting is aangelegd. De armaturen worden bij calamiteit gevoed, krijgen stroom uit één grote via centraal opgestelde accu�s of een aggregaat. Dat gebeurt via een zogeheten netwachter bij de hoofdvoeding die reageert op het wegvallen van de netspanning. In de installatie zitten ook enkele verdeelkasten.

Volgens Van Dijk zouden op alle verdeelkasten netwachters moeten zitten omdat de centrale netwachter niet kan �zien� wat er achter de verschillende verdeelkasten gebeurt. Wanneer daarin bijvoorbeeld kortsluiting ontstaat veroorzaakt de wegvallende verlichting in een donker theater vol mensen gegarandeerd paniek. Regels moeten niet klakkeloos worden nageleefd of minimalistisch geïnterpreteerd.

Mensen moeten zelf nadenken over wat wel en wat niet veilig is. En dat kan betekenen dat er meer moet gebeuren dan de regels voorschrijven.

Reageer op dit artikel