nieuws

Naoorlogse iconen om innig te koesteren

bouwbreed Premium

den haag – Waardevolle naoorlogse gebouwen lopen het risico vroegtijdig te worden gesloopt of verminkt. Vertrekkend rijksbouwmeester Jo Coenen benoemde uit voorzorg zestien naoorlogse rijksmonumenten tot inspirerende bouwkunst.

Ze zijn samengebracht in een publicatie die tevens de verschillende keuzeprocessen bij het onder handen nemen van jonge gebouwen belicht.

De geselecteerde zestien complexen van de afgelopen vijf decennia zijn te vinden in �Gesloopt, gered, bedreigd. Omgaan met naoorlogse bouwkunst�, een publicatie die gisteren werd gepresenteerd. Op de lijst prijken inspirerende rijksgebouwen als het Paleis van Justitie in Arnhem, twee rechtbanken in Zwolle en Amsterdam, de Koninklijke Bibliotheek, de ministeries van LNV, Buitenlandse Zaken en SZW en de penitentiaire inrichting De Schie in Rotterdam. Architectonisch bijzondere gebouwen die tevens voldoen aan de criteria van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Het boek is samengesteld in opdracht van het ministerie van VROM en de Rijksgebouwendienst op initiatief van de vertrekkende rijksbouwmeester. Aanleiding voor Coenen was “de onbegrijpelijke brutale, onnadenkende of nonchalante wijze waarop maar al te vaak met bijzondere en inspirerende bouwwerken wordt omgesprongen voordat ze door de Monumentenwet worden beschermd”. Bij de uiteindelijke selectie hanteerde hij intuïtief een afstand van minstens vijftien jaar omdat “een gebouw eerst het een en ander moet meemaken.”

Coenen pleit voor een zorgvuldige omgang met het jongste erfgoed. Naoorlogse architectuur wordt soms te snel miskend, concludeert hij. Het Juliana Ziekenhuis in Terneuzen, het Haarlemse Concertgebouw, het Wavin-onderkomen in Zwolle of het AZM-gebouw in Heerlen zijn slechts enkele voorbeelden die – terugkijkend – te vroeg zijn gesloopt of verminkt. Ook de zwarte Madonna in Den Haag is al in deze categorie ondergebracht.

De met veel foto�s gelardeerde publicatie biedt tevens een caleidoscopisch overzicht van de omgang met de naoorlogse architectuur in Nederland. Het geeft inzicht in de keuzeprocessen bij vervanging of aanpassing van jonge rijksgebouwen door verschillende partijen en levert daarmee een bijdrage aan het bewustwordingsproces.

De naoorlogse architectuur is wezenlijk anders dan de vooroorlogse en moet dus ook anders worden benaderd, zo betoogt C. Berns vice-voorzitter van Docomomo (Documentation and Conservation of the Modern Movement), de organisatie die ijvert voor jonge modernistische bouwkunst en redder van onder andere sanatorium Zonnestraal. Het naoorlogse bouwproces kenmerkt zich namelijk door seriematige, grootschalige productie, waarbij stedenbouwkundige concepten een prominente plaats innemen. Het individuele object maakte plaats voor het ensemble. Juist de collectief opgezette wijken en dorpen staan onder druk omdat bewoners een andere leefstijl hebben gekregen. Gebieden als Frankendael en Sloterhof in Amsterdam, het Rotterdamse Pendrecht en de Lijnbaan en het dorp Nagele in de Noordoostpolder maken daarom aanspraak op bescherming. Berns pleit voor nieuwe criteria waarbij de bescherming van stedenbouwkundige- en groenstructuren prioriteit heeft.

Naast de stedenbouwkundige en architectonische ontwerpvaardigheid om oudbouw en nieuwbouw subtiel te vervlechten, een kunst die buitenlandse ontwerpers beter in de vingers hebben dan hun Nederlandse vakgenoten volgens Coenen, speelt natuurlijk ook het financiële aspect. Economische overwegingen prevaleren in de praktijk al gauw boven het culturele besef. Zowel gemeenten als ontwikkelaars moeten af van het �maximalisatiedenken�, het streven naar het hoogste haalbare rendement uit vastgoed, meent architect André van Stigt die het Olympisch Stadion deels sloopte om het uiteindelijk te behouden. “Het maximalisatiedenken heeft tot gevolg dat bouwterreinen langer braak blijven liggen, terwijl de markt tussentijds verandert. En als die aantrekt, weet men niet meer wat men met een gebouw moet doen.”

Geleidelijk aan komt er een kentering in het denken over hergebruik en de verhouding overheid-ontwikkelaar. Zo wordt er momenteel een nieuw concept beproefd bij het Nederlands Congrescentrum in Den Haag van J.J.P. Oud. Of zoals ontwikkelaar Rudy Stroink (TCN Properties) het samenvat “niet het gebouw moet de exploitatie sturen, maar omgekeerd.”

De lijst met zestien juweeltjes die door minister Dekker is vastgesteld, kan worden beschouwd als een eerste aanzet om naoorlogse gebouwen op vrijwillige basis met de nodige omzichtigheid te behandelen. In principe kan iedere nieuwe rijksbouwmeester vijf nieuwe gebouwen aan de minister voorleggen.

Het boek is in eerste instantie bedoeld voor de aan de bouw gerelateerde professionals, inclusief het Rijk. Maar door zijn heldere taalgebruik misstaat het niet in de boekenkast van diegenen die louter zijn geïnteresseerd in bouwkunst. Tal van deskundigen etaleren hun visie op de naoorlogse architectuur. Hun pleidooien geven stof tot nadenken: bezint eer ge begint.

�Gesloopt, gered, bedreigd. Omgaan met naoorlogse bouwkunst� (ISBN 90 5973 010 0) onder redactie van onder anderen Jo Coenen is een uitgave van Episode Publishers en kost 29,50 euro.

�Kentering in het denken

over hergebruik�

Reageer op dit artikel