nieuws

Flora- en Faunawet is complexe materie

bouwbreed Premium

In het artikel �Flora- en faunawet (F&F) niet streng, gemeenten en ontwikkelaars zijn laks� (Cobouw 1 september 2004, nummer 159) wordt de oorzaak van de problemen met de F&F(vertraging en mogelijk zelfs niet doorgaan van projecten, hoewel dat laatste – voorzover bekend – tot op heden nog niet is gebeurd) wel erg gemakkelijk bij de […]

In het artikel �Flora- en faunawet (F&F) niet streng, gemeenten en ontwikkelaars zijn laks� (Cobouw 1 september 2004, nummer 159) wordt de oorzaak van de problemen met de F&F(vertraging en mogelijk zelfs niet doorgaan van projecten, hoewel dat laatste – voorzover bekend – tot op heden nog niet is gebeurd) wel erg gemakkelijk bij de projectontwikkelaar en de gemeente gelegd.

Natuurlijk is het zo dat het de verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar is zorgvuldig onderzoek te doen voordat met planontwikkeling en -realisatie wordt aangevangen. Daarvan zijn de meeste ontwikkelaars tegenwoordig wel doordrongen. Overigens ligt het in bepaalde gebieden niet direct voor de hand een natuurwaardenonderzoek te doen bijvoorbeeld bij een binnenstedelijke herontwikkeling. Maar ook bij dergelijke operaties kan het toch verstandig zijn een quick scan te doen bijvoorbeeld op de aanwezigheid van vleermuizen. Met het doen van onderzoek is de zaak echter nog niet afgedaan. Onderzoek biedt geen garantie dat (de realisering van) het project geen vertraging zal ondervinden. Zo moet niet alleen een inventarisatie worden gedaan maar ook een effectenbeoordeling. Het tijdsbestek, waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden, brengt vaak beperkingen met zich. Zo zal bijvoorbeeld voor vleermuizen in meerdere periodes in het jaar onderzoek moeten worden gedaan en dan nog valt vaak niet met zekerheid te zeggen dat er geen verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Onzekerheid

Het is niet altijd mogelijk een volledige inventarisatie te maken en daarmee een volledige effectenbeoordeling te doen. Onzekerheid met betrekking to het voorkomen van bepaalde soorten kan ertoe leiden dat een ontheffing ingevolge de Flora- en Faunawet (F&F) maar voor een beperkt aantal soorten wordt gevraagd (en verleend), zodat op het moment dat met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden wordt begonnen, alsnog aanvullend onderzoek en nog een afzonderlijke ontheffing nodig zijn, met alle vertraging van dien. Onvoldoende onderzoek of onvoldoende zekerheid omtrent het voorkomen van bepaalde soorten, kan er ook toe leiden dat een benodigde artikel 19 WRO vrijstelling niet wordt verleend of een eenmaal verleende vrijstelling wordt geschorst. Steeds meer omwonenden, al dan niet verenigd in een met het oog daarop opgerichte vereniging of stichting, hebben de F&F ontdekt als middel de realisering van een project al dan niet tijdelijk tegen te houden.

Ecologen, die de natuurwaardenonderzoeken verrichten en de rapporten opstellen op basis waarvan de ontheffing wordt aangevraagd, realiseren zich dikwijls niet het belang van de gekozen formuleringen. Termen als “onzeker is of”, “niet uit te sluiten valt dat”, kunnen een opdrachtgever soms in een moeilijk parket brengen bij de bestuursrechter.

In de praktijk blijken die ecologische onderzoeken soms zeer indringend door de bestuursrechter getoetst te worden. Daarbij is het nog steeds zo dat (vrijwel) alle inheemse soorten onder de bescherming van de F&F vallen, zodat – ook bij mogelijke verstoring van algemeen voorkomende soorten – voor al die soorten ontheffing is vereist. Aangezien dat ook een enorme belasting is voor de met de uitvoering van de F&F belaste uitvoeringsinstantie, Laser, duurt de behandeling van een ontheffingsaanvraag op dit moment minstens 3 maanden.

Als in het projectgebied strikt beschermde soorten voorkomen, dient daarvoor het toetsingskader van artikel 75, lid 5 F&F aangehouden te worden. Dat betekent dat behalve de eis dat een gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar mag komen, er tevens een alternatievenonderzoek gedaan zal moeten worden en er bovendien sprake moet zijn van dwingende redenen van groot openbaar belang

De ontwikkelaar zal aannemelijk moeten maken dat aan beide voorwaarden wordt voldaan. Vervolgens moeten eventuele nadelige gevolgen gecompenseerd worden. Ook dat valt in de praktijk niet altijd mee en ook daarover kan de bestuursrechter zich in een procedure een oordeel vormen.

Nu valt in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wel een tendens te bespeuren dat, indien bezwaarmakers zich op het standpunt stellen dat het onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is en dat bijvoorbeeld bepaalde soorten zijn gemist, zij dat aannemelijk moeten maken bijvoorbeeld door het inbrengen van een eigen onderzoek. Nu gaat het niet om de enkele aanwezigheid van (meer) beschermde soorten, maar de aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen en de vraag of sprake is van verstoring maar, in het bijzonder in het kader van een artikel 19 WRO vrijstelling, kunnen genoemde gebreken toch wel eens tot een schorsing leiden. Daarbij is nog de moeilijkheid dat de gebiedsbescherming nog steeds geen afdoende regeling heeft gevonden in de nationale wetgeving en ter zake dus nog steeds de Habitatrichtlijn geldt. Dat betekent dat bijvoorbeeld in het kader van een artikel 19 WRO vrijstelling onder omstandigheden ook daaraan getoetst moet worden.

Broedseizoen

Laatste complicatie die genoemd moet worden, is het feit dat voor het verstoren van vogels geen ontheffing verleend kan worden. In de praktijk wordt dat aldus opgelost door ervan uit te gaan dat, de Vogelrichtlijn analoog toepassend, geen sprake is van verstoring indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Dat wordt door het ministerie veelal ook als voorwaarde aan de ontheffing (die geen betrekking kan hebben op vogels) verbonden. In de praktijk blijkt nogal eens dat in het hiervoor geschetste traject van inventarisatie, effectenstudie, rapportage – eventueel in combinatie met artikel 19 WRO vrijstelling – licht iets mis kan gaan.

Gezien de complexe materie is het wat al te gemakkelijk en ook niet terecht, om de problemen in die procedure, met mogelijk aanzienlijke vertraging en daarmee gepaard gaande hoge kosten, volledig toe te schrijven aan de wijze waarop projectontwikkelaar en gemeenten omgaan met de F&F.

Reageer op dit artikel