nieuws

Schatrijke corporaties gaan voor de grote beweging

bouwbreed Premium

In de jaren 70 heeft de volkshuisvesting al eens een forse omslag gemaakt. Destijds ging men over van objectsubsidies, subsidiëring van de bouw van sociale huur- en koopwoningen naar subjectsubsidies, de subsidiëring van huishoudens in de vorm van individuele huursubsidie (IHS). Dit was en is volgens Bonne van der Kooi nog steeds een effectiever middel om die mensen, die niet zelfstandig in hun woonbehoefte kunnen voorzien, te ondersteunen.

De vereniging van corporaties Aedes pleit voor betere afstemming in combinatie met een vereenvoudiging van het woningwaarderingsysteem, dat meer recht doet aan de gewildheid en de kwaliteit van de woning.

Doel van �De grote beweging� is onder meer het gat tussen huren en kopen kleiner te maken en de stagnatie op de woningmarkt te doorbreken. Alleen huishoudens die op basis van hun inkomen financiële ondersteuning nodig hebben, komen immers voor IHS in aanmerking. Stijgt het inkomen, bijvoorbeeld door verandering van baan, dan daalt of vervalt de IHS. En andersom: wanneer het inkomen daalt, dan stijgt de IHS. Kortom: dat was een prima omslag, waardoor de overheid steun geeft daar waar het nodig is.

Inkomenspolitiek

Jaren geleden heb ik, in de functie van commissaris van een corporatie, al eens een passend alternatief voorgesteld: om als corporatie een eigen voorziening te creëren. Hieruit wordt de (individuele) huurder voor de hogere huur gecompenseerd, uiteraard inkomensafhankelijk en als aanvulling op de landelijke IHS. Dit in plaats van onrendabele toppen in de sociale huurwoningen te steken.

Het voordeel is duidelijk; bij de nieuwbouw vindt niet langer indirecte subsidiëring plaats van huishoudens die dat niet nodig hebben. Los van ongetwijfeld deels gerechtvaardigde praktische bezwaren, was de bezweringsformule voor deze oplossing �dat is inkomenspolitiek�: lange tijd voldoende om dit soort ideeën van tafel te vegen. Kennelijk is dit taboe voor corporaties na 2004 van de baan. Het winstpunt van de �de grote beweging� is namelijk, dat deze weeffout ongedaan kan worden gemaakt.

Als corporaties willen doen waartoe ze op aard zijn, biedt �De grote beweging� een uitstekend perspectief. Deze variant op �werken naar vermogen en belonen naar behoefte� spreekt mij zeer aan. Corporaties gaan na 2004 markthuren vragen, waardoor ze veel meer geld uit de markt kunnen halen. Daar staat tegenover dat mensen die de markthuurprijs niet kunnen betalen, zullen moeten worden gecompenseerd door middel van een corporatieve �IHS�. Ik zou de doelen voor De Grote Beweging dan ook als volgt formuleren:

– Haal zo veel mogelijk geld uit de markt.

– Zet alle beschikbare middelen zo effectief mogelijk in ten behoeve van degenen die dat het meest nodig hebben.

-.Werk aan wonen naar behoefte en betalen naar vermogen.

Het eerste, zoveel mogelijk geld uit de markt halen, is de corporaties in toenemende mate toevertrouwd en zal wel lukken. Het tweede kan en moet verbeteren ten opzichte van de huidige praktijk. En het derde moet absoluut veel beter, maar de realisatie van deze doelstelling is het meest twijfelachtig. Hier geldt zeker dat de behaalde resultaten uit het (recente) verleden geen enkele garantie bieden voor de toekomst, integendeel. Het is immers nog steeds zo, dat de gemiddelde huurder met een laag inkomen netto relatief (verhouding inkomen/woonlasten; de woonlastenquote) meer betaalt dan een koper met een hoog inkomen.

De gemiddelde netto woonquote – de verhouding tussen inkomen en woonlasten – was in 2000 voor huurders en kopers respectievelijk 33,7 procent en 25,5 procent (bron: WBO 2000). Er is een nadeel. Als het rijk het huurbeleid liberaliseert door middel van �De grote beweging�, en dus uit handen geeft, is ze een belangrijk sturings- cq machtsmiddel kwijt. Als ik minister van VROM was, zou volkshuisvestend Nederland eerst moeten laten zien dat dit verantwoord is. Want als de sector kritisch naar zichzelf kijkt, zal ze moeten erkennen dat dit zeker geen vanzelfsprekendheid is: de minst gewilde woonmilieus zijn met name te vinden in die (vroeg na-oorlogse) wijken waar de corporaties een dominante positie innemen; zelfs in de relatief ontspannen huurwoningmarkt van de jaren negentig is de herstructurering achtergebleven bij wat volkshuisvestelijk noodzakelijk was; de nieuwbouwproductie van sociale huurwoningen is de afgelopen jaren gezakt tot een historisch dieptepunt; de verkoop van sociale huurwoningen is gestegen tot een historisch hoogtepunt, evenals het aantal woningzoekenden hier en daar; het (maatschappelijk) vermogen van (hoezo van…?) de sector groeit (vorig jaar met 1 miljard!), en �klotst bij de plinten omhoog� terwijl realisatie van de veelbesproken �matchingoperatie� nog steeds omgekeerd evenredig is aan de commotie hierover.

Kortom; wat moet ik nu als minister van VROM? Samen met �De grote beweging� een grote terugdraai-beweging in gang zetten, door tegelijkertijd de verzelfstandiging terug te draaien, zodat ik het (extra) groeiend vermogen van corporaties zelf kan gaan inzetten? Dan toch liever het volgende alternatief: zowel voor de volkshuisvestelijke taken die de corporaties laten liggen als voor de extra IHS-uitgaven die hogere huren tot gevolg zullen hebben, wordt de minister gedwongen een belastingregiem op te leggen aan corporaties. Bijvoorbeeld BTW of Vennootschapsbelasting.

Door �De grote beweging� te combineren met een belastingregiem – en deze inkomsten te oormerken ten behoeve van de volkshuisvesting – kan het beschikbare maatschappelijke vermogen zo goed mogelijk worden aangewend. En zo wordt voorkomen dat de rijksoverheid niets anders rest dan bidden en hopen, omdat niet alle sturing uit handen is gegeven. Tenzij de corporaties ophouden met klagen over regels, procedures en bemoeienis van overheden, met het verklaren aan de buitenwereld waarom herstructurering, bouwproductie en betaalbaarheid problematisch blijven en met gezwinde spoed de mouwen heel hoog opstropen, lijkt mij dit de oplossing. Want om Marx te citeren; het is niet in de eerste plaats onze taak om de werkelijkheid te verklaren, maar om hem te veranderen.

Bruteringsoperatie

Een tweede grootscheepse omslag was de �bruteringsoperatie� in 1993. De brutering betekende dat het rijk in één klap alle subsidies betaalde, die het in de toekomst nog aan de woningcorporaties verschuldigd was. Een aftreksom van de leningen die corporaties nog hadden van alle subsidies die ze ooit nog zouden krijgen, resulteerde in een eenmalige uitbetaling van bijna 16 miljard euro.

Met deze actie zijn de corporaties financieel volledig op eigen benen komen te staan. Wat echter in de jaren �80 al sluipenderwijs was begonnen, is sinds deze �brutering� structureel beleid: de corporaties hebben feitelijk de voormalige objectsubsidies van het rijk overgenomen. Zij subsidiëren tegenwoordig elke sociale nieuwbouwwoning met een onrendabele top van pakweg 40.000 euro. Dat er het een en ander valt af te dingen op de gangbare exploitatieberekeningen in corporatieland laat ik hier even buiten beschouwing, want dat is een discussie op zich. Waar het om gaat, is dat corporaties op bovenstaande wijze het principe van de subjectsubsidie grotendeels om zeep helpen. De met 40.000 euro �gesubsidieerde� woning wordt immers toegewezen aan iemand die daar met het inkomen van dat moment recht op heeft. Is dat inkomen een jaar later verdubbeld, bijvoorbeeld door samenwonen, dan bestaat de kans dat het maatschappelijk rendement van deze 40.000 euro voor jaren teniet wordt gedaan.

Haal zo veel mogelijk

geld uit de markt

Reageer op dit artikel