nieuws

Grond-, water- en wegenbouw: publiek of toch liever privaat

bouwbreed Premium

Met een marktomvang van 233 miljard euro neemt de productie van grond-, water- en wegenbouwkundige werken ruim 22 procent van de Europese bouwmarkt voor haar rekening. Deze productie zal toenemen tot 255 miljard euro in 2006. Ongeveer 55 procent van de gww-productie betreft transportinfrastructuur, een kleine 20 procent komt voor rekening van energie- en waterinfrastructuur en bijna 10 procent gaat naar telecommunicatie. Het belang van de gww-productie binnen de gehele bouwmarkt neemt langzaam toe, vooral onder invloed van de voortdurend groeiende behoefte aan transport- en communicatieinfrastructuur. Na een periode waarin vooral in nieuwe wegen werd geïnvesteerd, is de laatste jaren sprake van een opleving van de bouw van nieuwe (hogesnelheids) spoorlijnen.

In vergelijking met de bouw van woningen en utiliteitsgebouwen wordt een veel groter deel van de gww-productie uit publieke middelen gefinancierd. Ondanks dat in veel landen de overheidsuitgaven door de tegenvallende economische groei onder druk staan, overtreft de groei van de gww-productie de economische groei. Bijvoorbeeld in 2002 en 2003, toen de groei van de Europese economie beperkt bleef tot ongeveer 1 procent per jaar, kende de gww-markt een jaarlijkse groei van bijna 2 procent.

In het voetspoor van de aantrekkende conjunctuur, met als gevolg hogere belastinginkomsten, zal de groei van de gww-productie oplopen tot bijna 4 procent in 2006. Ondanks de dan weer toenemende investeringsruimte op de begrotingen is in veel landen sprake van publieke middelen die achterblijven bij de behoefte aan infrastructuur. In sommige landen worden de investeringsmogelijkheden bovendien beperkt door de afspraken in het Verdrag van Maastricht, die het overheidstekort tot 3 procent beogen te beperken.

Alternatief

Hoewel zeker nog niet op grote schaal sprake is van private financiering van infrastructurele werken, wordt publiek-private samenwerking (pps) in toenemende mate gezien als een interessant alternatief voor de inzet van publieke middelen.

Zo bood het Nederlandse bedrijfsleven recent nog aan om 15 miljard euro op te hoesten voor investeringen in snelwegen. Daarvoor vragen de geldschieters natuurlijk wel een goed rendement. Op verschillende manieren kan de positie van marktpartijen op de gww-markt worden belicht. Als we kijken naar de Europese gww-markt heeft in de meeste landen slechts een gering deel van de gww-productie betrekking op infrastructurele werken voor eigen gebruik door private bedrijven, zoals erfverhardingen in de agrarische sector of voorzieningen voor de procesindustrie. Gemiddeld is ongeveer 10 procent van de vraag op de gww-markt afkomstig van dit soort private bestedingen.

De vraag naar gww-voorzieningen wordt in belangrijke mate bepaald door de conjunctuur in de betreffende bedrijfstakken.

De overige 90 procent van de gww-productie betreft infrastructurele of overige voorzieningen met een min of meer publieke functie (publieke goederen). Veel voorzieningen komen tot stand in opdracht van het Rijk of lagere overheden als gemeenten. Denk bijvoorbeeld aan openbare wegen of zeekeringen. Financiering vindt plaats uit algemene middelen of uit specifieke belastingen zoals de motorrijtuigenbelasting. Europabreed kan ongeveer 60 procent van de gww-productie worden beschouwd als volledig publiek.

De ontwikkeling van de overheidsinkomsten is in belangrijke mate bepalend voor het niveau van publieke gww-bestedingen. Andere publieke voorzieningen worden in toenemende mate geëxploiteerd door private bedrijven, zoals nutsbedrijven en (rail)vervoerbedrijven. In veel landen moeten deze bedrijven feitelijk worden beschouwd als overheidsbedrijven, bijvoorbeeld omdat de aandelen volledig in handen zijn van de publieke sector.

In sommige landen, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, is echter sprake van echte marktpartijen die, via concessieverleningen, publieke taken op zich hebben genomen. Naar schatting 30 procent van de Europese gww-markt heeft betrekking op publieke functies die worden verzorgd door bedrijven. Ongeveer twee derde hiervan moet worden beschouwd als overheidsbedrijven, de resterende 10 procent is volledig privaat.

In tegenstelling tot de overheid, die bij haar investeringsbeslissingen vooral afhankelijk is van de beschikbare publieke middelen, wordt de vraag naar infrastructurele werken door de bedrijven vooral bepaald door de mogelijkheden op een rendabele exploitatie van de infrastructuur.

De privatisering van publieke functies verschilt van land tot land en van sector tot sector.

Naar sector bezien is de privatiseringsgraad het geringst bij wegen, met uitzondering van auto(tol)wegen, vooral in de grotere Europese landen. Bij de spoorwegen is het beeld wisselend, terwijl de privatisering het verst is doorgevoerd bij nuts- en telecommunicatiebedrijven.

Reageer op dit artikel