nieuws

Een revolutie op zn Hollands

bouwbreed Premium

den haag – De herstructurering van de wederopbouwwijken laat werkelijk geen buurtschap of dorp ongemoeid. Dat indringende beeld blijft achter na lezing van De Grote Verbouwing.

Het venijn zit in de staart. Na diverse inleidingen en uitputtende beschrijvingen van de (steden)bouwkundige problemen in dertien naoorlogse wijken, passeren achterin het boek �De Grote Verbouwing� nog snel even 160 projecten de revue. Twee per pagina, stuk voor stuk geïllustreerd met kleine zwart-wit prentjes die de situatie voor en na de ingreep verbeelden.

Die zonder opsmuk gepresenteerde voorbeelden van falende naoorlogse woningbouw vormen het meest indringende deel van het boek dat verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in het NAi in Rotterdam.

In de eindsprint wordt beter dan waar ook duidelijk dat het niet alleen om de Bijlmer, Rotterdam Hoogvliet of Den Haag-Zuidwest gaat, maar ook om woningbouwprojecten in Opsterland, Dantumadeel en Hardinxveld-Giessendam.

In zijn essay voorin het boek pleit H.J.A. Hofland niet voor niets voor een verplichte excursie voor elke Nederlander naar die wijken, om te kijken wat daar gebeurt. Want daar vindt volgens Hofland niets minder dan een revolutie plaats. Maar dat gaat natuurlijk weer op zijn Hollands, zonder opzwepende redevoeringen of woedende massa�s die de straat op trekken. Het is “de geruisloze revolutie van de raadselachtige consensus.”

Zelf ging Hofland op excursie naar de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam, vijftig jaar nadat hij die wijken uit de weilanden zag oprijzen. Het meeste veldwerk voor �De Grote Verbouwing� is echter afkomstig van Jacqueline Tellinga van het NAi.

In een eerder interview in Cobouw stak ze niet onder stoelen of banken dat ze het lang niet altijd eens is met de rigoureuze aanpak door veel gemeenten. Naoorlogse bouw heeft onmiskenbaar ook kwaliteiten die verloren dreigen te gaan. De 160 beknopt gedocumenteerde projecten achterin het boek geven haar gelijk. De renovatieplannen getuigen vaak van grotere creativiteit dan de plannen waarbij is gekozen voor sloop/nieuwbouw. Bouwfysisch presteren de nieuwbouwplannen ongetwijfeld stukken beter en ook de plattegronden zullen ruimer en flexibeler indeelbaar zijn, maar het gevelbeeld en de inrichting van de openbare ruimte gaan er soms op achteruit.

Dramatisch hoogtepunt in het boek is de geplande sloop van de portiekflats aan de Rembrandt van Rijnstraat in Groningen. De woning op nummer 47 werd in 1955 nota bene door de toenmalige minister van volkshuisvesting feestelijk ingewijd als de 500.000ste naoorlogse woning. Het was bovendien een project met een sociale inslag dat als voorbeeld moest dienen. Het souterrain was ingericht als hobby- en vergaderzaal en in de kelder was een gemeenschappelijke wasinrichting neergezet. Door glazen wanden konden de wassende moeders een oogje op hun spelende kinderen houden. Met het gebouw zelf, zal de gedenkplaat aan de borstwering van het balkon binnenkort verdwijnen. Wat voor gebouw woningcorporatie Nijestee er voor in de plaats zal zetten, is nog niet bekend.

De tentoonstelling �De Grote Verbouwing� is nog tot 23 mei te zien in het NAi in Rotterdam. Het boek gaat langer mee, hoewel het beslist niet het laatste zal zijn dat gewijd is aan deze geruisloze revolutie.

J. Tellinga, De Grote Verbouwing. De verandering van naoorlogse woonwijken, uitg: 010, ISBN 906450525X

Reageer op dit artikel