nieuws

De grote verbouwing moet aanzetten tot bezinning

bouwbreed

rotterdam – In Nederland wijken jaarlijks zevenduizend naoorlogse woningen voor nieuwbouw. Dit heeft gevolgen voor de sociale en stedenbouwkundige structuren. Met de tentoonstelling De grote verbouwing brengt het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) deze complexe bouwopgave in beeld.

Meer dan honderd foto�s van vijftien naoorlogse woningbouwprojecten (1945-1970) hangen naast elkaar in het NAi in Rotterdam. De bezoeker kan kijken en vergelijken. Foto�s van onder meer de Zwolse wijk Holtenbroek, het Rotterdamse Hoogvliet en het Heuvelkwartier in Breda geven een beeld van de omvang en complexiteit van de veranderingen, de oorspronkelijke ambities en de ontwikkelingen in de stedelijke herstructurering.

Van de zes miljoen woningen in Nederland is eenderde, voornamelijk sociale huurwoningen, vlak na de oorlog gebouwd. Deze voldoen volgens corporaties niet meer aan de wooneisen van vandaag. Ze zijn eenvormig en de openbare groene ruimte is verloederd waardoor het gevoel van veiligheid is afgenomen. Het gevolg hiervan is dat draagkrachtigen naar nieuwe wijken zijn vertrokken.

Samensteller van de tentoonstelling Jacqueline Tellinga: “In de praktijk betekent dit meestal dat goedkope huurwoningen plaatsmaken voor duurdere koopwoningen. Eengezinsrijtjeswoningen gaan tegen de vlakte. Portiekflats worden vervangen door laagbouw, platte daken door kappen, beton door baksteen.”

Bijna twee jaar verzamelde Tellinga – die speciaal voor deze tentoonstelling een boek schreef – informatie en analyseerde zij veranderingen in de dertien naoorlogse woonwijken. Na de oorlog moest in rap tempo met minimale middelen woningbouw worden gerealiseerd. Het waren vooral de bouwers zelf, gemeenten en ontwerpers die daarvoor nieuwe ideeën en systemen bedachten.

Tegenwoordig ligt volgens Tellinga het programma van eisen bij ontwikkelaars en de inmiddels geprivatiseerde woningcorporaties. De rol van ontwerpers is veranderd. Zij richten zich niet meer zoals vroeger op bewoners maar op hun opdrachtgevers. “Waar stedenbouwkundige Niek de Boer in de jaren vijftig voor uitbreidingswijken in Emmen zowel dure als goedkope huizen op mooie plekjes situeerde en wijken autovrij maakte, hebben ontwerpers nu zelden een dergelijke invloed op het programma.”

Ook vertelt Tellinga dat in de tijd van Niek de Boer werd gewerkt met open begrotingen. “Ontwerpers van nu zijn veelal onbekend met exploitatiecijfers en grondwaarden, zodat een eventuele speelruimte in het plan niet benut kan worden.”

Tellinga vindt de sloopaantallen, van circa zevenduizend per jaar, veel. “Het tempo kan wel wat lager”. Tellinga schrijft in haar boek dat de waardevolle erfenis van prominente stedenbouwkundigen zoals Van Eesteren, Bakema, Stam-Beese, Aldo van Eyck en Hertzberger flink wordt aangetast door de vernieuwingsdrang. “Deze oude generatie probeerde de naoorlogse jaren wijken zo te maken dat het een plek werd van het gezin, de straat, de buurt en de wijkvoorzieningen. De wijken waren een afgerond geheel.”

Integrale visie

Nu wordt er volgens Tellinga op onderdelen stevig ingegrepen in deze structuren en een integrale stedelijke visie ontbreekt. Een lappendeken aan plannen is volgens haar vaak het resultaat.

Toch vond Tellinga ook positieve uitzonderingen. De wijk Hoogvliet in Rotterdam bijvoorbeeld. De aanpak van de Rotterdammers onderscheidt zich volgens haar doordat er dankzij een kleinschalig initiatief, genaamd WiMBY!, geprobeerd wordt te zoeken naar de identiteit van bestaande structuren en van de mensen die er wonen. Zo is er aandacht voor het verenigingsleven, iets waarin oude wijken zich onderscheiden van de Vinex-wijken. “Wat je in nieuwe wijken ziet is dat er zomaar wordt gesloopt, zonder dat er aandacht is voor wat zich afspeelt in schuurtjes en clubgebouwen. Mensen vergeten dat je bij het weghalen van gebouwen ook de sociale infrastructuur afbreekt.”

Opmerkelijk vindt Tellinga dat bij nieuwbouwplannen weinig tot geen aandacht is besteed aan de bewonerswensen van mensen met een laag inkomen en mensen met een andere culturele achtergrond. “We hadden toch kunnen verwachten dat gezien de bevolkingssamenstelling van de naoorlogse wijken juist daar een belangrijke ontwerp- en investeringsopgave lag.”

Wel is er aandacht voor seniorenwoningen. Renovatie is soms ook een optie. Als voorbeeld noemt Tellinga een flat in de Bijlmer in Amsterdam. Hier werden binnen de bestaande structuur maisonnettewoningen gemaakt. Ook zijn er voorbeelden waarbij portiekflats geschikt zijn gemaakt voor seniorenwoningen.

Tellinga hoopt dat het boek en de tentoonstelling aanzetten tot bezinning, “Mensen handelen te snel, gooi maar plat is vaak de gedachte. Slopen is niet erg, maar we kunnen soms ook proberen om vast te houden aan wat we hebben.”

�De grote verbouwing� is van 12 februari tot 31 mei 2004 in het NAi in Rotterdam te bezichtigen.

�Mensen handelen te snel, gooi maar plat is vaak de gedachte�

Reageer op dit artikel