nieuws

IFD maakt bouwen tot een bijzaak Scheiding ontwerp­uitvoering belemmering Laatste IFD­ronde

bouwbreed

rotterdam ­ Industrieel Flexibel en Demontabel (IFD) bouwen wordt hoe langer hoe meer werktuigbouwkundig benaderd. Elementen worden in steeds grotere delen aangeleverd op de bouwplaats. Als bouwen bijzaak wordt, wat is dan de rol van de hoofdaannemer?

Het staalskelet van De Brug, het hoofdkantoor van Unilever Bestfoods Nederland dat boven het bestaande bedrijfscomplex in Rotterdam werd gemanoeuvreerd, is volgens ir. J.H. Vos “een goed voorbeeld van hoe het ook kan”. “Maar”, laat de programmabegeleider van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) er direct op volgen “het spectaculaire transport is niet kenmerkend voor IFD, het monteren en assembleren op de bouwplaats wel”.

Vos noemt “de industriële vervaardiging” bij De Brug innovatief op IFD­gebied. “Voor dit kantoor zijn tweedimensionale elementen van formaat over water aangevoerd en op de bouwplaats gemonteerd.”

De vier spanten zijn opgebouwd uit 45 meter lange en 15 meter brede elementen; het koppelen gebeurde op 25 meter hoogte. “De omstandigheden ­ een bedrijfsproces dat niet verstoord mocht worden ­ waren bepalend voor de manier van bouwen. De gekozen aanpak is ongetwijfeld mede door De Bolder (het geheel in de bedrijfshal van Heerema Grootint in Zwijndrecht gefabriceerde en gemonteerde hoofdkantoor van Mammoet dat vervolgens naar de Rotterdamse haven werd gevaren) in gang gezet.”

Volgens Vos zou het “nog mooier” zijn geweest als ook de vloeren en gevels eraan hingen en de verplaatsing wind­ en waterdicht kon gebeuren. “De afbouw van onder andere de gevels gebeurt nu van binnenuit. De Bolder was wat dat betreft meer af.” De Brug kenmerkt zich daarnaast door een zeer grote mate van vrije indeelbaarheid (4400 vierkante meter per vloer).

IFD wordt steeds meer werktuigbouwkundig benaderd, constateert Vos, waarbij in het geval van De Brug de staalbouwer de hele maatvoering en aansluiting van de verschillende onderdelen verzorgt. “Het hele fabricageproces ­ de logistiek, planning, afstemming ­ is bij deze toeleveranciers veel strakker georganiseerd dan in de bouwsector. De bouwnijverheid is nog te veel projectgericht in plaats van product­ en procesgericht.”

Volgens Vos gaan toeleveranciers steeds meer in de richting van de markt van de uitvoering. “Bij sommige projecten komt er al niet eens meer een hoofdaannemer aan te pas.” Hij noemt het Running Shopping Centre in Noorderveld bij Wormerveer. “De toeleveranciers zijn hier co­makers; aandeelhouders die als bv een gebouw realiseren.”

Welke rol is er dan weggelegd voor de hoofdaannemer, als bouwen bijzaak wordt? De bouwers moeten volgens Vos worden “getriggerd” door de �I� en zich bezighouden met de vraag welk product ze willen maken en op welke wijze dat het beste kan. Hij zal projectoverstijgend moeten denken en kan als coördinator een toegevoegde waarde leveren. Vos noemt de Trento­woningen in Enschede van de het ontwikkelende bouwbedrijf Nijhuis. “Integraal ontwerpen gebeurt hier onder regie van de aannemer, waardoor het proces van schetsontwerp naar definitief ontwerp kan worden versneld met behulp van alle uitvoeringskennis.”

Die scheiding tussen ontwerp en uitvoering noemt Vos een belemmering voor IFD. “Als je industrieel en flexibel wilt bouwen, vergt dat een langere voorbereiding aan de tekentafel, meestal gevolgd door een kortere, maar in ieder geval beter beheersbaar bouwproces. Een opdrachtgever en architect moeten zich buigen over de vraag hoe er moet worden gebouwd en met welke partijen. Er is veel meer mogelijk als partijen al vroeg in het proces kennis uitwisselen, dat is keer op keer een terugkerende conclusie uit onze demonstratieprojecten. Hierbij kan worden gedacht aan een bouwteam.”

Volgens Vos is technisch gezien alles te realiseren, maar is vooral het proces bepalend voor het slagen van een IFD­bouw. “Met IFD moet niet te rigide worden omgegaan. Producten en de manier van bouwen moeten goed op elkaar worden afgestemd.”

Hij neemt het praktijkvoorbeeld van een bouwsysteem waarbij de gekozen vloer niet bleek aan te sluiten. “Keuzes moeten van tevoren worden gemaakt, waarbij een balans moet worden gezocht tussen wat gewenst is en wat kan. Een beetje prefabben werkt niet.”

Vanaf 1999 kregen 71 projecten de IFD­demonstratiestatus (Industrieel, Flexibel en Demontabel Bouwen), waarvan er inmiddels 31 zijn opgeleverd. Komend najaar gaat de vierde en laatste ronde van start. SEV­programmabegeleider J.H. Vos: “Het gaat nu niet meer om incidenten, maar echte klappers. Projecten met een structurele benadering die voor een doorbraak kunnen zorgen, niet alleen qua schaal of omvang, maar qua haalbaarheid en brede toepasbaarheid.”

Vos noemt de formulematige aanpak van de PTT­gebouwen uit 1999 als voorbeeld dat dicht in de buurt komt. Begin volgend jaar denkt de SEV de eerste IFD­ervaringen over producten en randvoorwaarden, processen en het programmeren te presenteren. Het moet een kader bieden voor de juiste technieken en procesvormen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels