nieuws

Vakantiewonen

bouwbreed

Vakantiewonen

In de vakantietijd kiest een groot deel van de bevolking geheel uit vrije wil voor woonomstandigheden die op geen enkele manier voldoen aan de gangbare normen en regelgeving. Dicht opeengepakt in minimale, ongeïsoleerde ‘woningen’ van katoen of dun kunststof, niet of nauwelijks voorzien van water en elektriciteit, neemt men genoegen met erbarmelijke sanitaire voorzieningen. En dat alles om een paar weken per jaar aan de sleur van het dagelijkse wonen te ontsnappen in een collectieve beleving van de natuur.

Voor die paar weken blijkt men verder, in tegenstelling tot de privatisering van de woonomstandigheden buiten de vakantieperiode, bewust te kiezen voor het vergaand delen van voorzieningen en een grote mate van openbaarheid.

Dertig jaar geleden zag architect Frank van Klingeren in dit fenomeen het bewijs dat, als de regelgeving het maar niet tegenhield, er veel meer behoefte zou zijn aan minimale woningen in een woonomgeving waar veel meer collectief zou worden gedeeld. “Naarmate er buiten steeds minder van ons is, wil iedereen binnenshuis steeds meer van zichzelf. Dat maakt huizen duurder en daardoor blijven dan weer meer gemeenschapsvoorzieningen achterwege. Dat is een eindeloze spiraal.

En nu het andere uiterste: een camping waarop elk huis (dat daar een tent heet) slechts een fractie van een echt huis kost. Het wonderbaarlijke is dat de mensen op hun 20 à 30 vierkante meter tentruimte met voor het overige louter zaken die van en voor iedereen zijn, zich aanmerkelijk gelukkiger voelen dan in hun stadsflat van 120 vierkante meter op een achtste verdieping. Aanmerkelijk gelukkiger, anders zouden ze er niet kamperen. En dat niet voor twee of drie weken, want als het aan de mensen zou liggen, bleven ze het hele jaar. Maar daartegen verzet zich de wet in een oppermachtig paternalisme.”

Van Klingeren zou hiermee zowel de eerste propagandist van het Wilde Wonen als van de zogenaamde ‘lichte’ stedenbouw kunnen worden genoemd, ware het niet dat deze vormen van neoliberale woningbouw natuurlijk vergaande geprivatiseerd zijn, het gaat om individuele woningen zonder enige vorm van collectieve stedenbouw of openbare voorzieningen, terwijl het Van Klingeren ging om het omgekeerde: het bestrijden van de teloorgang van het publieke domein.

De privatiseringstrend heeft zich sinds het begin van de jaren zeventig onverminderd voortgezet en van het campingmodel voor het wonen dat Van Klingeren voorstond, is nooit wat gekomen. Toch is het verlangen naar het minimalistische, nomadische wonen niet verdwenen en duikt het met hardnekkig regelmaat weer op: in de wijkjes De Fantasie en De Realiteit in Almere, in de herwaardering van woonboten en volkstuinen en in allerlei kleinschalige initiatieven overal in Nederland.

Veel van deze individuele ‘woningen’ zijn gedurende enige tijd onder de noemer Parasite Paradise in een tijdelijk dorp samengebracht op een veldje aan de rand van de Vinex­wijk Leidsche Rijn. Vrijwel alle recente klassiekers die op het gebied van nomadisch, autarkisch, licht en gerecycled wonen zijn bedacht, zowel in Nederland als uit het buitenland, zijn hier bij elkaar te bewonderen. Wat dat betreft is een bezoek aan te raden. Maar tijdelijk natuurlijk, want denk nu niet dat er in Leidsche Rijn opeens, al is het maar op een klein veldje, een echte regelvrije enclave wordt toegestaan. Het geeft bovendien te denken dat vrijwel alle getoonde uitingen van individuele woonvrijheid tot stand zijn gekomen en zijn gesubsidieerd in het kader van het een of andere kunstproject, inclusief de tentoonstelling zelf.

Het ware anarchistische vakantiewonen vindt natuurlijk plaats op een gekraakte bouwplaats, is permanent zolang de ME er niet op af wordt gestuurd en laat zich niet marginaliseren door zich het label ‘kunst’ op te laten plakken.

Parasite Paradise is tot en met 28 september te bezichtigen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels