nieuws

‘Bedrijventerrein niet sexy genoeg’

bouwbreed

den haag ­ Eenderde van alle bedrijventerreinen krijgt een onvoldoende. Nota bene van de gemeenten waarin ze liggen. Die hebben het probleem overigens jaren genegeerd. ‘Bedrijventerreinen zijn niet sexy genoeg’, volgens de Brabantse gedeputeerde Onno Hoes. Maar anno 2003 wordt het probleem wel serieus genomen, zeggen wederom de gemeenten. Parkmanagement is daarbij het toverwoord.

Industriegebieden liggen vaak aan de rand van de stad. Letterlijk, maar ook figuurlijk. Want waar er volop aandacht was voor de revitalisering van probleemwijken en de herontwikkeling van de binnenstad, kwamen de industriegebieden er jarenlang bekaaid af. Tot het bijna te laat was. Uit onderzoek in opdracht van de ministeries van Economische Zaken en VROM blijkt, dat op eenderde van alle bedrijventerreinen in Nederland de veroudering merkbaar is en de herstructurering noodzakelijk. En pas nu het zover is, gebeurt er wat. Voor driekwart van de verouderde terreinen, in totaal bijna 22.000 hectare, bestaan namelijk herstructureringsplannen. De opgave is daarmee zeventien keer zo groot als het aantal hectaren dat sinds 1990 is aangepakt.

Deze cijfers moeten overigens met een kleine korrel zout worden genomen; het gaat namelijk om een enquête onder gemeenten. Hoe het bedrijfsleven denkt over de staat van de bedrijventerreinen is niet onderzocht. Maar het is duidelijk dat het probleem groot is. Dat vindt ook Onno Hoes, gedeputeerde voor economische ontwikkeling in de provincie Noord­Brabant. ‘Een groot aantal terreinen is zo slecht dat bedrijven zich er niet meer willen vestigen. Daardoor stagneren de omzet en de ontwikkeling.’

Zo ziet Hoes dat bedrijven wegtrekken uit Brabant, bijvoorbeeld richting België. In Brabant zijn de problemen in absolute zin het grootst, maar alle provincies, op Zeeland na, staan voor de opgave om terreinen aan te pakken. Luuk Prevaes, regiomanager Rijnmond bij Grontmij, legt uit dat de problemen die hij op bedrijventerreinen tegenkomt divers zijn. ‘Ten eerste zijn er de terreinen die slecht worden onderhouden en daardoor verloederen. Je ziet daar bijvoorbeeld veel braakliggende gronden, waar letterlijk niets mee gedaan wordt. Dat heeft ook te maken met het tweede probleem; de slechte indeling. Sommige bedrijven hebben bij de aanleg veel te veel grond gekocht, waar ze nu niets mee doen. Een derde probleem is de ligging. Bedrijventerreinen mogen dan aan de rand van de stad zijn aangelegd, inmiddels liggen ze soms midden tussen de woonbebouwing, zijn ze slecht bereikbaar en voldoen ze niet aan de milieueisen die daarbij horen.’ Het gevolg van deze problemen is dat de bedrijventerreinen niet optimaal worden benut. Dat leidt per verouderd terrein tot een lagere omzet, maar wordt pas schrijnend voor wie beseft dat er in Nederland juist een gebrek is aan bedrijventerreinen.

Achterstandswijken

Reden genoeg dus om het probleem aan te pakken. Maar dat is niet zo gemakkelijk volgens gedeputeerde Hoes. ‘Jarenlang heeft niemand zich bekommerd om de bedrijventerreinen. De bedrijven wezen naar de gemeente als het ging om de openbare ruimte, terwijl ze niets aan hun eigen kavel deden, en de gemeenten vonden dat bedrijven hun problemen maar zelf moesten oplossen. Heel veel gemeenten zijn niet actief geweest op dit vlak, bedrijventerreinen zijn blijkbaar niet sexy genoeg. Wethouders houden zich liever bezig met de achterstandswijken, waar de problemen scherper zichtbaar zijn en waar veel kiezers wonen.’

Een ander probleem is dat het voor bedrijven niet duidelijk is wat een goed bedrijventerrein hen oplevert. Er bestaat nog geen harde relatie tussen het een en het ander, maar volgens Prevaes lukt het Grontmij steeds beter om het verband aan te tonen tussen kwaliteit van het terrein en vastgoedwaarde. Met name directeur­grootaandeelhouders moeten hiervan worden overtuigd. Beleggingsinstellingen met bezit op bedrijventerreinen begrijpen het al wel. Maar die hebben weer relatief weinig eigendom op bedrijventerreinen. Volgens Hoes moet dat veranderen. Hij pleit ervoor dat bedrijventerreinenin eigendom komen van één partij. ‘Ik heb er in Londen heel goede voorbeelden van gezien. Goed onderhouden terreinen met veel groen, heldere wegaanduidingen, geen opzichtige reclame, ik kreeg er echt een kick van.’

Gezamenlijk

In Nederland wordt vaak nog gekozen voor een afgeleide hiervan die parkmanagement wordt genoemd. Dit staat in de praktijk voor het gezamenlijk inkopen van diensten als elektriciteit, telecom en bewaking en het gezamenlijk onderhouden (en renoveren) van openbaar gebied en privé­terreinen. De parkmanager die dit allemaal moet regelen, kan daarbij worden betaald uit de winst van het gezamenlijk inkopen van diensten. Het bedrijventerrein als onderneming dus. Op nieuwe bedrijventerreinen wordt er steeds vaker gekozen voor een parkmanager en worden bedrijven verplicht lid van de parkmanagementorganisatie. Hoes juicht dat toe: ‘Het gaat wel tegen mijn liberale gevoel in om bedrijven te verplichten ergens lid van te worden, maar ik vind dat het hier moet.’ Bij bestaande terreinen is het vrijwel onmogelijk om bedrijven te verplichten lid te worden.

Prevaes: ‘Parkmanagement is in feite de verschijningsvorm van wat er in Engeland gebeurt, de collectieve diensten en het beheer. Dit werkt, maar heeft een veel grotere kans van slagen als er een duidelijke filosofie achter zit, zoals Hoes heeft gezien in Londen. Bij parkmanagement gaat het om het optimaliseren van de waarde van het bedrijventerrein waarbij je de ondernemer centraal stelt. Als het terrein eigendom is van één partij met een heldere filosofie is dat gemakkelijk. Maar zover zijn we nog niet in Nederland.’

West Kanaaldijk Sluis

Slecht onderhoud van bedrijfsgebouwen en ­terreinen, verwaarlozing van de openbare ruimte, een toenemende mobiliteit en de bereikbaarheidsproblemen die daarbij horen en groeiende criminaliteit. Het bedrijventerrein West Kanaaldijk Sluis, op de gemeentegrens van Nijmegen en Beuningen, heeft alle ingrediënten om in aanmerking te komen voor herstructurering. Chrétien de Kloet ziet het probleem bovendien groeien: ‘Werknemers vinden het een onprettig terrein en werkgevers nemen dat mee in hun huisvestingsbeleid. Je ziet dat bedrijven op zoek gaan naar een betere locatie en je merkt dat de nieuwkomers minder rekening houden met elkaar.’ De Kloet is bestuurslid van de bedrijvenvereniging WKS en vormt samen met Peter Tijssen de begeleidingscommissie revitalisering WKS.

Beiden kwamen al snel tot het inzicht dat er iets moest veranderen. Het opvallend goed georganiseerde bedrijventerrein ­ bijna driekwart van de bedrijven is lid van de bedrijfsvereniging ­ schakelde daarvoor de hulp in van Deloitte & Touche.

Na de revitalisatie moet een parkmanager er voor zorgen dat het terrein niet opnieuw verloedert. Voor de kosten die dat met zich meebrengt, hebben De Kloet en Tijssen de oplossing paraat. Ze gaan gezamenlijk diensten inkopen en realiseren een multifunctioneel­cultureel gebouw op het terrein. Daarin worden alle facilitaire voorzieningen voor het terrein gevestigd. Een deel van het gebouw kan worden verhuurd aan een kinderdagverblijf, een arbodienst of voor beheer en onderhoud van de openbare ruimte. Daarmee slaat de bedrijvenvereniging twee vliegen in één klap: inkomsten én extra diensten voor de gevestigde bedrijven.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels