nieuws

Spoorbouwmeester tussen droom en daad

bouwbreed

utrecht ­ Een functie die het midden houdt tussen droom en daad. Zo noemt Rob Steenhuis zijn werk als spoorbouwmeester. “Met vormgeving een station managen. Dat is mijn ideaalbeeld.”

Met de aanleg van de HSL staan veel stations in Nederland aan de vooravond van grote verbouwingen en uitbreidingen. Maar ook in stations die niet worden verblijd ­ of opgeschrikt ­ met deze flitstrein wordt stevig getimmerd. Loketten sluiten om plaats te maken voor kaartautomaten en steeds vaker worden er winkels geopend. Een station is al lang niet meer alleen een plek waar mensen in en uit de trein stappen.

Het zijn drukke tijden voor Steenhuis, sinds drie jaar de spoorbouwmeester van Nederland. Hij geeft gevraagd en ongevraagd advies over de bouw, inrichting, aankleding en styling van stations en treinen. Zijn Bureau Spoorbouwmeester is onafhankelijk. “Ik verwoord de mening van de NS en ProRail over vormgeving en architectuur.”

Menselijk

Nadenken over wat goed is voor de NS. Is er een moeilijker taak? “Dat valt wel mee. De NS maakt zelf uit hoe de treinen rijden en hoe de service moet zijn. Maar er is door ons bureau voor de vormgeving ook een aantal heldere en vaststaande uitgangspunten geformuleerd: menselijk, toegankelijk, vernieuwend, geordend en efficiënt. Menselijk staat bovenaan, de rest is in willekeurige volgorde. Deze uitgangspunten willen wel eens met elkaar botsen. Neem de kaartautomaten. Die zijn efficiënt. Maar zijn ze ook menselijk?”

In de plannen voor nieuwe stations in grote steden is de aanduiding ov­terminal gemeengoed geworden. De term moet duidelijk maken dat het station een knooppunt is van openbaar vervoer. Van de trein stappen mensen over op andere vormen van openbaar vervoer, zoals tram, bus of metro. “Een vreselijk woord, dat terminal”, meent Steenhuis. “Die aanduiding verdoezelt waar het eigenlijk om gaat: een station waar mensen in­ en uitstappen en aankomen en vertrekken. Niets meer en niets minder. Bij een station weet iedereen wat je bedoelt. Het is goed te omschrijven, het is helder.”

Starheid

Een station is voor Steenhuis een locatie op, aan of onder een starre infrastructuur: de spoorbaan. “Die starheid is vervelend, maar tegelijk ook zo boeiend. De spoorbaan is een ijzeren rivier. Die moet je accepteren.” Steenhuis ziet het station het liefst als een vestibule, een warme en comfortabele verblijfplaats. “Het klinkt vreemd, maar je kunt dat meetbaar maken. Comfortabel is tochtvrij, licht, geen donkere hoekjes en obstakelvrij. Een hard gegeven voor de NS is dat een station ook veilig moet zijn. Steenhuis: “Dat kan door genoeg personeel op de perrons en in de stationshal aanwezig te hebben en door de afsluitbaarheid van de stations, oftewel de Beheerste Toegankelijkheid Stations (BTS).” Dat vormgeving ook kan bijdragen aan een veilige omgeving, staat voor Steenhuis als een paal boven water. “Met een goede vormgeving kun je een station managen. Veiligheid voor de reizigers en alle mensen die er werken.”

Een station vrijhouden van obstakels biedt ook uitdagingen aan de architecten. “De oriëntatie is zo belangrijk. Je moet vrij alle kanten op kunnen kijken. Weten waar je naar toe moet. Neem bijvoorbeeld Schiphol­Plaza. Hier zijn twee vervoersfuncties gemengd: vliegen en per trein reizen. De ordening vind ik daar erg leidend.”

Loopstroom

Steenhuis’ wens is dat de winkels in een stationsgebouw duidelijk gescheiden zijn van de voornaamste taak van de NS, namelijk vervoeren. “Zo moeten de winkels niet te veel in de loopstroom naar de treinen zijn gevestigd. Dan lopen mensen elkaar in de weg. Ik ben absoluut niet tegen de ontwikkeling dat steeds meer winkels neerstrijken op de stations, maar doe het wel beheerst. Hou er regie over.”

Steenhuis ontwerpt nu zelf geen stations meer (van 1982 tot 1996 was hij spoorwegarchitect), maar treedt op als een inspirator en soms ook als een supervisor en een regisseur. “Ik zorg dat architecten beter ontwerpen, en wel binnen die vijf uitgangspunten menselijk, toegankelijk, vernieuwend, geordend en efficiënt.”

Verschil

Het ontwerpen van HSL­stations past hier ook in. Al is er een verschil, vindt Steenhuis. “Waar denk je aan bij HSL? Toch aan termen als groot, ambitieus, luxe, belangrijk. Het is een gevoel, een beleving. Dat dien je in de architectonische ontwerpen terug te vinden.”

Tussen droom en daad. Zo kenschetst Steenhuis zijn werk. “Het is weten wat de marges zijn. De overheid stelt een bepaald bedrag beschikbaar voor een project en het is zaak daarbinnen het onderste uit de kan te halen. Ik vind wel dat de overheid meer dan nu moet aangeven wat ze verwachten voor dat geld. Dat geeft de nodige houvast.

‘Ik zie het station het liefst als een vestibule’

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels