nieuws

Retourtje Rotterdam

bouwbreed

Retourtje Rotterdam

Fiets, trein, metro en lopen, zo kom ik vanuit mijn woning in het bijna 100 kilometer verderop liggende Rotterdam aan. Dat duurt bij elkaar ongeveer twee uur, inclusief wachten. Met de auto kan het in de helft van de tijd, buiten de spitsuren. Vooral tijdens de treinreis Amsterdam­Rotterdam valt er aardig wat na te denken over mobiliteit, het ­ helaas vooral op de auto gerichte ­ thema van de eerste architectuurbiënnale in Rotterdam. Is mijn treincoupé ook een ‘room with a view’, zoals curator Francine Houben steevast haar auto omschrijft? En zo ja, wat zie ik dan? Nederland is prachtig vanuit de trein. Kerktorens in de verte, koeien, weilanden, hekjes en ontoegankelijke bosjes.

Verreweg de mooiste ‘view’ is die op een onbestemd bedrijventerrein waar de gemeente de moeite heeft genomen de belijning op het verse asfalt tot in het kleinste detail te verzorgen.

Niemand zal die witte lijntjes ooit waarderen, maar ze zijn er wel. Ontroerend mooi, dat verlaten asfalt. De Italiaanse stedenbouwkundige Bernardo Secchi heeft daar ooit eens een enthousiast verhaal over gehouden. Het aanbrengen van de witte streep aan de rand van de weg, die ons vertelt waar het asfalt ophoudt en de wilde natuur begint, beheersen Nederlanders tot in de perfectie.

Secchi’s bewondering is begrijpelijk: in Italië ontbreekt dat soort belijning meestal helemaal. Onze wegdetaillering, inclusief verkeersborden, is van uitzonderlijke klasse. Juist daarom is het vreemd dat de samenstellers van de biënnale menen dat er nog iets te ontwerpen valt aan de Hollandse weg. Want ontwerpen is pas nodig als er ergens een probleem is. Als alles al goed is, blijf dan weg met je design, het stoort enorm en daarbij is het zonde van de tijd.

De wandeling vanuit de metrohalte Wihelminaplein naar Las Palmas, waar een deel van de tentoonstelling staat, levert weer een totaal andere ervaring op. Als je voetganger bent, is je eigen bovenkamer de ‘room with a view’. Ook van daaruit blijkt in Rotterdam de relatie auto­gebouw de basis van de stad.

Die tussen mens­auto is er een van wederzijdse haatgevoelens, tot een compromis gebracht door wederom veel witte strepen of roodgroene lichten. De relatie mens­gebouw is ook ver te zoeken. Grote blokken, abstracte volumes, waar is de ingang? De parkeergarages daarentegen vallen meteen op door een duidelijk verwijzingssysteem. Buiten lopen in Rotterdam heeft welbeschouwd meer met mobiliteit van doen dan de uitgestalde ontwerperswaar in Las Palmas, zo blijkt eenmaal binnen.

En toch kent Rotterdam niet de sterke scheiding van verkeerssoorten zoals in de Amsterdamse Bijlmermeer. De getekende droom van Ludwig Hilbersheimer en Richard Neutra (wie kent nog diens Rush City?) is daar neergezet, in beton met weldadig groen eromheen. En zelfs daar zijn de problemen onder controle.

Het opwekken van buurtgevoel door het creëren van een monotone woonomgeving (de vreemde spagaat waardoor het gebied nooit echt tot volle wasdom kwam) is ingeruild voor rijtjeshuizen en een straatbarbecue. Helaas heeft het terugbrengen van het verkeer op maaiveld nog geen integratie tussen voetganger en auto gezorgd, het blijven gescheiden werelden. Sterker nog: een markt houden onder de weg gaat ook niet meer. De weg als dak, een wederopbouwklassieker van het in Nederland zo geliefde dubbele grondgebruik, is hier bewust verlaten.

De conclusie zou kunnen luiden dat alle leuke studenten­ideetjes uit de andere steden die op de biënnale te zien zijn, in Nederland al zijn getest en afgekeurd. De ‘view’ vanuit de auto is er overigens in de Bijlmer ook niet op vooruitgegaan door het verlagen van al die wegen.

Ons huis is geen machine geworden, zoals Le Corbusier dacht, maar andersom; de auto is ons huis. Net zo min is de stad een voorzieningenmachine geworden. Ook hier ging het andersom: de machine, of dat nu de computer is of iets anders, is onze stad. Het netwerk is onze ‘backbone’, je ‘home is a phone’, met dank aan Jip Golsteijn.

Ik vertel u nu natuurlijk niets nieuws, het is het nieuws van gisteren, want woorden als ‘digitale snelweg’ en ‘virtual reality’ staan al in de geschiedenisboeken onder het kopje ‘jaren 90 van de vorige eeuw’. En niets is zo oud als de krant van gisteren.

En toch: bij het thema mobiliteit was, ook nu, een tentoonstelling van mobieltjes meer passend geweest dan een over automobieltjes. Vindt u het saai, deze mening? Krijgt u gaapneigingen van de woorden ‘netwerksamenleving’ en ‘world wide web’?

Dan voelt u zich net zo als ik me voelde tijdens de opening van de biënnale, eenzaam tussen autobanden, olievaten en studentenplannen in Las Palmas. Hoe het écht zit, ziet u buiten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels