nieuws

Ontwerpers moeten opdrachtgevers bij de les houden

bouwbreed

In de ontwerpfase van een bouwwerk dienen de werkzaamheden van de architect er op gericht te zijn dat er een bouwplan ontstaat, dat technisch deugdelijk en juridisch en financieel uitvoerbaar is. In deze bijdrage wordt op de financiële uitvoerbaarheid ingegaan.

Artikel 15 SR 1997 verplicht de architect tot het zonder berekening herzien van zijn ontwerp indien een ontwerp niet kan worden uitgevoerd voor ten naaste bij de tussen partijen schriftelijk overeengekomen bouwkosten èn indien dat niet kunnen uitvoeren voor die prijs aan de architect verweten kan worden. Met welke omstandigheden moet rekening gehouden worden bij de vraag of het ontwerp voor de ten naaste bij overeengekomen bouwkosten kan worden uitgevoerd? Het tweede lid van art. 15 noemt expliciet de volgende omstandigheden: de prijsontwikkelingen op de bouwmarkt, de tijd die is verstreken tussen het moment waarop de bouwkosten tussen partijen zijn overeengekomen en het moment waarop de werkelijk te maken kosten zijn vastgesteld. En verder noemt de bepaling ook ‘de overige van belang zijnde omstandigheden’. Van belang in deze context is ook het bepaalde in art. 29 SR: blijkt het ontwerp niet uitvoerbaar en is dit de architect toe te rekenen dan heeft de opdrachtgever het recht op deze grond op te zeggen. Dit betekent voor de betalingsverplichting van de opdrachtgever dat deze mogelijk kan komen te vervallen (als namelijk het voorlopig ontwerp zelfs niet gemaakt had mogen worden) en anders dat deze beperkt is tot het honorarium voor het voorlopig ontwerp, voor zover gevorderd en de vergoeding van de kosten met betrekking tot het voorlopig ontwerp.

Aanzienlijk

Het scheidsgerecht van het Arbitrage Instituut voor de Bouwkunst oordeelde op 1 februari 2002 over het volgende geval (BR 2002, p. 1051 e.v.). In beginsel is voor een dakrenovatie en verbouw van een zolder een bedrag van bijna 70.000 euro beschikbaar; dit bedrag was van meet af al krap. Het uiteindelijke bedrag voor de verbouwing wordt ruim 91.000 euro. Er kan dus gesproken worden van een aanzienlijke overschrijding.

Maar is dat ook een aan de architect te verwijten tekortkoming? De architect stelt van niet. Er was maar één aannemer bereid het werk uit te voeren, zodat er geen concurrentie was. Voorts was niet te voorzien dat de bouwkosten in 2000 explosief zouden stijgen en bovendien hebben de opdrachtgevers de architect niet in de gelegenheid gesteld om met de aannemer over de begroting te onderhandelen.

Verwijtbaar

De arbiter overweegt als volgt. In de periode januari/september is de markt geconfronteerd met niet of nauwelijks te voorspellen prijsstijgingen. In beginsel schrijven de SR wel voor dat de architect bij iedere fase een raming of begroting maakt, maar in die periode was dat bijzonder moeilijk zo niet onmogelijk. Het is sowieso moeilijk, zo vervolgt de arbiter, om een nauwkeurige begroting te maken voor restauraties of verbouwingen. Het feit dat de architect geen begroting heeft gemaakt, staat dan wel ook vast maar wordt door arbiter niet als kwalijk gekwalificeerd: de waarde van die begroting zou toch maar betrekkelijk zijn geweest omdat er geen concurrentie was en de aannemer alleen bereid was na maanden te beginnen en alleen op basis van bestek­ en uitvoeringstekeningen bereid was een prijs af te geven. Van een verwijtbare tekortkoming is in zoverre dan ook geen sprake geweest.

Maar dat oordeel is nog niet volledig. Want ook al kon de architect dan geen ‘normale’ begroting maken, hij had wel met de opdrachtgever dienen te overleggen. En ook dat heeft hij niet gedaan. De architect had de opdrachtgever voor moeten houden dat gezien de marktontwikkelingen en de aard van het werk hij geen betrouwbare begrotingen kon maken en afhankelijk was van aannemers en dat pas in veel latere fase kenbaar zou worden of het project wel uitvoerbaar was voor het beschikbare budget. In die zin is er dan ook sprake van een verwijtbare tekortkoming.

Gewaarschuwd

Zoals zo vaak in het bouw­ recht, is ook deze conclusie niet het laatste woord over deze kwestie. De opdrachtgevers moeten zich namelijk, zo stelt arbiter vast, gerealiseerd hebben dat hun wensen niet (direct) uitvoerbaar waren, temeer nu de architect al van het begin af aan het gewaarschuwd dat het budget krap was.

Het niet uitdrukkelijker wijzen op de mogelijkheid dat eerst in de fase van de bouwvoorbereiding duidelijk zou worden of de wensen van de opdrachtgever binnen het budget realiseerbaar waren, rekent de arbiter de architect dan ook niet zo zwaar aan dat dit opzegging op de voet van art. 29 SR (met de daarbij behorende financiële afrekening) rechtvaardigt. Wel acht arbiter het billijk dat de architect voor eigen rekening het ontwerp wijzigt hetgeen, nu zij daartoe niet in staat is gesteld, een besparing oplevert die een aftrek van het honorarium rechtvaardigt. Arbiter oordeelt een aftrek van 30 procent op de percentages voor bestek en bouwvoorbereidingstekeningen gerechtvaardigd.

De uitspraak illustreert weer eens hoe belangrijk het is dat ontwerpers goed communiceren met de opdrachtgever. Zowel de SR 1997 als de RVOI 2001 staan bol van de bepalingen waarin de ontwerpers ­ die immers de vertrouwenspersoon van de opdrachtgever zijn ­ verplicht worden de opdrachtgever voortdurend, ook ongevraagd, bij de les te houden. De sanctie op het niet naleven van deze verplichting is, deze uitspraak is daar getuige van, niet gering.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels