nieuws

Innovatief contract A7 bespaart nog weinig geld

bouwbreed Premium

den haag – Het valt te betwijfelen of Rijkswaterstaat veel geld heeft bespaard met het innovatieve contract voor de Randweg A7 Groningen. Uit de evaluatie blijken ook veel nadelen en extra werk te kleven aan het zogenoemde DBM-contract (design, building maintenance). Rijkswaterstaat is niettemin positief over de opgedane ervaring en wil vaker nieuwe contractvormen toepassen.

Rijkswaterstaat heeft op basis van de ervaringen bij de A7 de voor- en nadelen van de verschillende contractvormen op een rijtje gezet. De bevindingen staan in het boekje �Rijkswaterstaat op weg naar nieuwe aanbestedingsvormen�.

Aannemer Koop Tjuchem voerde afgelopen zomer de renovatie van de rondweg bij Groningen uit. De aanneemsom was ruim 16 miljoen euro exclusief btw. In februari 2002 kreeg Koop de opdracht nadat de afgewezen aannemer in het ongelijk werd gesteld door de Raad van Arbitrage.

De bouwer is verantwoordelijk voor het ontwerp en de renovatie, maar neemt ook het onderhoud gedurende tien jaar voor zijn rekening. Bijzonder was ook de eis van Rijkswaterstaat dat Koop de weg moest huren ten tijde van de werkzaamheden. Alleen gedurende de zomervakantie was het �gebruik� gratis.

De voordelen voor Rijkswaterstaat zijn legio. Eén private ondernemer is aanspreekpunt als er iets mis is en dat voorkomt gesteggel over de schuldvraag. Optimale afstemming met ruimte voor innovatie bij het ontwerp tussen aanleg en onderhoud. Minder toezicht van Rijkswaterstaat én geen extra kosten door meerwerk, want dat risico ligt bij de aannemer.

Uiteraard kleven ook fors wat nadelen aan het opdoen van ervaring met innovatieve contracten. De organisatie van Rijkswaterstaat is namelijk helemaal ingesteld op traditionele contracten. Dat leidt tot weerstand van technische en toezichthoudende ambtenaren. De opdrachtgever verwacht de komende jaren nog flink wat �leergeld� te betalen door budgetoverschrijdingen en lange doorlooptijden. Beide nadelen zijn maar van beperkte duur, verwacht Rijkswaterstaat.

Een ander nadeel is dat de kostprijsramingen minder nauwkeurig zijn waardoor maatschappelijke en politieke onrust kan ontstaan.

Prijsopdrijving

Ook bestaat een groter risico op prijsopdrijving door concurrentievermindering omdat slechts een beperkt aantal aannemers in staat is dergelijke contracten uit te voeren. In Groningen toonden aanvankelijk tien marktpartijen belangstelling waarvan via loting vijf zijn uitgenodigd voor inschrijving. Maar omdat slechts twee van de vijf ook voldeden aan de eis om een plan van aanpak in te leveren bleven slechts twee partijen over. Rijkswaterstaat denkt dat meer partijen een scherpere prijs tot gevolg zou hebben gehad.

Ook is het opgeleverde werk lastiger te controleren omdat is gebouwd op basis van functionele eisen. Dat maakt het voor de opdrachtgever noodzakelijk om voor gunning in overleg te treden met de opdrachtnemer en dat is alweer snel strijdig met de Europese regelgeving.

Bij de A7 was de vrijheid voor de aannemer uiteindelijk toch wat aan de beperkte kant. Een misser was bijvoorbeeld een tot in detail voorgeschreven geleiderail die feitelijk maar bij één leverancier was te bestellen.

Een andere belangrijke conclusie is dat sprake moet zijn van een vertrouwensrelatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Dat dreigde de eerste weken tijdens de uitvoering bij de A7 spaak te lopen. “Wanneer sprake is van wantrouwen verlopen zaken stroef en minder snel.” Bij een traditioneel contract is dat van minder groot belang.

Ondanks alle haken en ogen is Rijkswaterstaat wel van mening dat in veel gevallen innovatieve contracten zijn te prefereren boven de traditionele aanbesteding. De directie Noord-Nederland vindt het jammer dat de opgedane ervaring slechts beperkt kan worden gedeeld. Ook al hebben ze de resultaten zelf goed kunnen gebruiken bij de aanbesteding van de N31 waarbij sprake is van een DBFM-contract (design, building, finance, maintenance).

Reageer op dit artikel