nieuws

Hoogste tijd voor herziening van de UAV

bouwbreed

Monika Chao-Duivis constateert dat 13 jaar later het noodzakelijk is dat er eens grondig onderhoud aan deze voorwaarden wordt verricht. De UAV 1989 worden namelijk zeer intensief gebruikt. De herziening is actueel sedert de invoering van de nieuwe titel aanneming van werk in september 2003.

De herziening van de UAV 1989 is als eens eerder door mij aangekaart in de rubriek recht van deze pagina en wel in november 2001 In de UAV 1989 wordt verwezen in paragraaf 12 lid 2, sub a naar een van de meest omstreden artikelen van de oude wet van 1838 BW, het beruchte artikel 1645 BW. Berucht, omdat maar liefst drie lezingen van dit artikel in omloop zijn. Daarbij nog niet eens meegeteld de mening van, de begin dit jaar overleden, emeritus hoogleraar M.A. van Wijngaarden. Hij had over de uitleg van de Hoge Raad van dit artikel namelijk weer een afwijkende mening.

Nu is er juridisch niets op tegen om naar een oude wet te verwijzen. Verwezen zou zelfs kunnen worden naar �de wet van Hammurabi�, maar erg bevorderlijk voor het rechtsverkeer is dat natuurlijk niet. Temeer gezien het feit dat het nu juist om dit artikel gaat.

Er zijn echter veel meer redenen om de UAV te herzien. Ik noem een paar voorbeelden: de rol van de directie moet ingrijpend gewijzigd worden en er moet plaats komen voor de mogelijkheden die kwaliteitssystemen bieden; de kwestie van het (al dan niet schriftelijk) opdragen van bestekswijzigingen; de bepalingen betreffende de goederenrechtelijke verhoudingen (eigendom van het uit werk komende bouwstoffen en dergelijke); de regeling van de vergoeding van de meerdere uitvoeringskosten bij een wanpresterende voorgeschreven onderaannemer; de problematiek van de wijze van overeenkomen van afwijkingen van de UAV. Verder zou het onder andere goed zijn de overlegstructuur te verbeteren en de hiërarchische verhouding te nuanceren zonder overigens de kern van het model – de ontwerp- en uitvoeringsinvloed van de opdrachtgever – aan te tasten.

De UAV zijn niet een weg te denken fenomeen in het Nederlandse bouwrecht. Dit blijkt niet alleen uit de dagelijkse praktijk, maar ook uit de opvattingen van de wetgever. In de toelichting op het voorontwerp (welk voorontwerp nauwelijks gewijzigd is) aanneming van werk heeft de minister opgemerkt dat de wettelijke regeling, die maar een 20 tal artikelen omvat, voor de bouwcontracten maar een beperkte betekenis zal hebben, omdat deze contracten bijna altijd beheerst worden door de standaardvoorwaarden, waarmee hij vooral het oog had op de UAV. In de memorie van toelichting wordt het belang van de UAV nog eens heel uitdrukkelijk onderstreept door de vergelijking die is opgenomen van de wettelijke bepalingen met de UAV. En in de recentere memorie van toelichting rechtvaardigt de minister het bestaan van een wettelijke regeling naast het bestaan van de UAV (een wettelijke regeling is toch niet zinloos, zo wordt opgemerkt), met het noemen van de wettelijke bepalingen betreffende onderwerpen die dwingend geregeld worden in de wet, onderwerpen die geregeld worden omdat de UAV zwijgt en onderwerpen die als richtsnoer kunnen dienen bij de interpretatie van algemene voorwaarden alsmede bij een ooit tot stand komende standaardregeling in de zin van artikel 6: 214 BW. Kortom: het autonoom ontwikkelde aannemingsrecht heeft duidelijk maatschappelijk/economisch voorrang boven de wettelijke regeling.

Wie concreet wil nadenken over een herziening van de UAV 1989 heeft een paar voorvragen te beantwoorden. Is het model van een opdrachtgever, die zelf voor ontwerp zorgt en daarmee in de hand een uitvoerende partij zoekt nog wel van deze tijd? We hebben nu toch een mooie standaard voor geïntegreerde contracten?

Vast staat dat in overwegende mate nog steeds gebouwd wordt volgens het model dat ten grondslag ligt aan de UAV. Het is een model dat toegesneden is op die gevallen waarin een opdrachtgever er behoefte aan heeft zelf nauw bij het werk betrokken te zijn. Het is zeker niet meer het enige model. De ontwikkeling heeft in bouwend Nederland niet stilgestaan en terecht hebben veel opdrachtgevers ingezien dat zij niet noodzakelijkerwijs alles zelf hoeven te doen. Maar daarmee is het geïntegreerde bouwen nog niet het enige model geworden en is het ook niet het dominante model geworden. Er is behoefte aan verschillende soorten goede sets van algemene voorwaarden en de UAV is een van die modellen, mits bij de tijd gebracht.

Een andere vraag is of het eenzijdig vaststellen van algemene voorwaarden eigenlijk niet meer voor de hand ligt in deze tijd? Dus opdrachtgever of opdrachtnemer: ga op eigen houtje algemene voorwaarden voor de uitvoering van werken maken, neem desnoods de UAV als voorbeeld. Ook dit geluid hoort men wel. Het ziet op het feit dat de UAV in 1968 in breed overleg tot stand is gekomen en in 1989 in breed overleg is herzien. Past dit �polderen� nog wel?

Het is de stellige overtuiging van het Instituut voor Bouwrecht (IBR) dat het eenzijdig opstellen van algemene voorwaarden, zonder dat er enigerlei vorm van klankbord/overleg of hoe men het ook wil noemen, aan te pas komt op den duur leidt tot algemene voorwaarden met een eenzijdige inhoud. Dat wil zeggen een inhoud, die een van partijen te kort doet en dus niet evenwichtig zijn. Een heel oud juridisch beginsel komt hiermee op de tocht te staan: het wederkerigheidsbeginsel.

Het ontbreken van wederkerigheid in algemene voorwaarden leidt onherroepelijk tot gesteggel bij de uitvoering van de overeenkomst en het ontbreken van wederkerigheid is een mogelijke reden om te komen tot vernietiging van een of meer bedingen in algemene voorwaarden op grond van het strijdig zijn van zo een beding met redelijkheid en billijkheid.

Arbiters en rechters nemen in hun overwegingen dan ook mee hoe algemene voorwaarden tot stand zijn gekomen. De literatuur – in binnen- en buitenland – houdt dit voor een juiste gang van zaken. Dus: is het modern om algemene voorwaarden eenzijdig op te stellen? Helaas wordt dat wel gedacht. Maar is het wijs? Nee!

De conclusie is dan ook dat er geen obstakels zijn om te komen tot een herziening van de UAV en dat dit niet eenzijdig dient te gebeuren.

Het opstellen van algemene voorwaarden zou bij voorkeur plaats moeten vinden in een verband, waarbij vertegenwoordigers van alle �afnemers� van de algemene voorwaarden betrokken zijn. Een ander scenario, duidelijk op de tweede plaats, is dat de voorwaarden opgesteld worden door een neutrale organisatie, met een mogelijkheid van het horen van de betrokkenen.

Klankbordgroep

Het IBR pakt deze herziening dan ook op. In het voorjaar van 2004 zal een UAV expert meeting worden georganiseerd, waarvoor vijftig à zestig mensen uitgenodigd zullen worden, die met de UAV werken en afkomstig zijn uit verschillende sectoren van het bouw-rechtelijke leven zoals: de overheid als opdrachtgevende partij en als oorspronkelijke vaststeller van de UAV in zijn beide edities, het uitvoerend bouwbedrijf (hoofd- en onderaannemers), de wereld van de architecten en raadgevend ingenieurs en andere opdrachtgevende partijen (groot en klein).

Tijdens deze expert meeting zal een aantal principiële discussiepunten aan de orde komen. Naar verwachting zal op de uitkomst daarvan voortgebouwd kunnen worden bij een herziening van de UAV 1989. Het Instituut stelt zich voor om na de expert meeting de herziening van de UAV 1989 als volgt ter hand te nemen: onder leiding van prof. mr. M.A.M.C. van den Berg, vice-voorzitter van het Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, wordt een klankbordgroep gevormd uit vertegenwoordigers van de zojuist genoemde achtergronden die het schrijven van de herziening door ondergetekende zal gaan begeleiden. Een systematische inventarisatie van het gebruik van de UAV 1989 zal aan dit werk vooraf gaan.

Het jaar 2004 wordt een jaar met een nieuw elan in de bouwwereld, een nieuwe UAV hoort daarbij!

Mr.dr. M.A.B. Chao-Duivis

Directeur Instituut voor

Bouwrecht in Den Haag

(info@ibr.nl)

Het jaar 2004 wordt een jaar met een nieuw elan in de bouwwereld

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels