nieuws

Betonmortel Groene Hart Boortunnel de voor rechter

bouwbreed Premium

weigerde. Vervolgens werd een rechtszaak aangespannen.

Voor zover uit de uitspraak blijkt past(e) de combinatie bij de aanleg van de tunnel betonmortel toe met en zonder vliegas voor de aanmaak van grout, in-situ beton en prefab tunnelelementen, die in een tijdelijke betoncentrale ter plaatse worden vervaardigd. Het ging om een categorie-1 bouwstof, niet zijnde grond. Dat betekent dat volgens het Bsb de meldingsplicht niet geldt.

Aantoonplicht

Het verwijt van de Vereniging was dat de combinatie deze mortel toepaste zonder dat gedegen onderzoek was uitgevoerd naar de samenstelling ervan, zodat onvoldoende duidelijk was of de mortel aan het Bsb voldeed. Er waren alleen analyseresultaten van proefmonsters bekend, geen monsters van de gebruikte stoffen. Volgens de Vereniging had de aannemerscombinatie een aantoonplicht, die inhoudt dat er vooronderzoek moet worden verricht naar de samenstelling van de stoffen en dat tevens vooraf aangetoond moet worden dat de gebruikte stoffen voldoen aan het Bsb. Er werd nog aan toegevoegd dat de mede in beroep gekomen leden van de Vereniging allen mortel van de vereiste kwaliteit konden leveren.

Het College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (ten deze bevoegd gezag) wees het verzoek om handhaving af, omdat het niet vond dat in strijd met het Bsb werd gehandeld.

De Afdeling verwerpt de stelling dat het Bsb een aantoonplicht zou opleggen aan de gebruiker van de bouwstoffen zoals door de Vereniging bepleit. Er was geen verplichting voor de combinatie om keuringsgegevens te overleggen en evenmin een verplichting voor de handhaver om deze gegevens voorafgaand aan het gebruik op te vragen. Er hoefde dus in die zin niets vooraf te worden aangetoond. Wel schrijft het Bsb voor, aldus de Afdeling, dat bouwstoffen gekeurd moeten worden op samenstelling en immissiewaarde voorafgaand aan het gebruik en dat de analysegegevens vijf jaar beschikbaar moeten zijn om op verzoek van het bevoegde gezag te worden getoond. Omdat er dus wel een bewijsvoering moet plaatsvinden ten bewijze dat de stoffen voldeden (zij het dat die niet proactief hoeft te worden verstrekt) ging de Afdeling nog in op de wijze waarop in dit project de bewijsvoering was opgezet.

Er werd in casu niet gewerkt met een erkende kwaliteitsverklaring maar met een gelijkwaardig ( in de zin van de wet �overig�) bewijsmiddel. De combinatie had een Plan van Aanpak opgesteld dat drie fasen onderscheidde:

a.-per toe te passen partij bouwstof monsterneming en analyse conform AP04;

b.-tijdens toepassing een zelfde monsterneming etcetera van de partijen die bij de aanleg van het eerste deel van de tunnel worden toegepast en

c.-idem met partijen die verder in het werk worden toegepast.

Voorgeschreven was voorts dat monsterneming (etcetera) plaatsvond door een erkend onafhankelijk milieulaboratorium en niet door de combinatie.

De Afdeling oordeelde dat de provincie dit Plan van Aanpak als �overig� bewijsmiddel mocht aanmerken. Tevens was ter zitting gebleken dat er geen bouwstoffen waren toegepast met een andere samenstelling dan de eerder genomen monsters, evenmin dat andere stoffen dan categorie-1 bouwstoffen waren toegepast.

Conclusie: De provincie had terecht het verzoek om handhaving afgewezen.

In deze uitspraak wordt fijntjes een van de zwakke zijden van het Bouwstoffenbesluit blootgelegd, immers gaat de wettelijke verplichting van de gebruiker van niet meldingsplichtige stoffen niet verder dan vergaring van bewijs dat de stoffen aan het besluit voldoen en gedurende vijf jaar bewaren van dat bewijs teneinde het aan het bevoegd gezag te verstrekken als daarom wordt gevraagd. Omdat nog vele kwaliteitsverklaringen op zich laten wachten heeft de praktijk zich op het �overige bewijsmiddel� gestort, de gelijkwaardige wijze waarop kan worden aangetoond dat het om een bepaalde bouwstof gaat. Een handhaver kan (in theorie maar ook in de praktijk) er na twee jaar achter komen dat een categorie-2 bouwstof is toegepast waarvan de gebruiker meende dat het categorie-1 was met alle gevolgen van dien. Dat kan mede ten grondslag liggen aan een gehanteerd bewijsmiddel, dat bij nader inzien onacceptabel blijkt. Om te bepalen of het bewijsmiddel acceptabel is zal de rechter vaak moeten worden ingeschakeld. Hoe dit te voorkomen? Meer en tijdiger handhaven? Anderzijds zou de gebruiker van �overige bewijsmiddelen� het risico dat zijn bewijsmiddel niet wordt goedgekeurd kunnen verkleinen door het vooraf door het bevoegd gezag te laten goedkeuren.

Er wordt momenteel van alle kanten gewerkt aan een evaluatie van het Bsb waarbij ook aandacht wordt besteed aan de betrouwbaarheid van verklaringen en keuringen. Wellicht zou er een meer specifieke regeling kunnen komen voor niet-meldingsplichtige stoffen die met een �overig bewijsmiddel� worden toegepast?

Reageer op dit artikel