nieuws

Woekeren met ruimte voor beter museumklimaat

bouwbreed

amsterdam – Verlaagde plafonds worden weggebroken; loze ruimten verdwijnen. In het vernieuwde Rijksmuseum is straks nauwelijks nog ruimte voor ventilatie- en installatieschachten. Toch moet het leefklimaat erop vooruit gaan. De worsteling met een schier onmogelijke ontwerpopdracht.

Cuypers in ere herstellen, is één van de uitgangspunten bij de renovatie van het Rijksmuseum in Amsterdam. Voor de ontwerpers van het klimatiseringssysteem betekent het dat ze met ongeveer een achtste van de ruimte voor de verticale schachten toe moeten. Terwijl natuurlijk hogere prestaties van de installaties wordt gevraagd.

Gevolg is dat de luchtbehandelingskasten zo dicht mogelijk in de buurt moeten komen van de ruimten die ze bedienen. Voor de benedenverdieping is dat volgens Karsten Jurkait van ingenieursbureau Arup niet zo lastig. In de kelders die her en der onder het complex worden gerealiseerd, is er wel een plekje voor te vinden. Ook op de tweede verdieping stuit dat niet op al te grote problemen. Tussen de vakwerkspanten onder de kapconstructie is nog wel ruimte beschikbaar voor de 1500 tot 2000 kilogram zware kasten. Zo nodig worden de spanten versterkt met extra stalen staven. Alles gaat straks toch schuil achter translucente panelen, die ook in Cuypers tijd al zorgden voor indirect daglicht in de zalen.

Tussenverdieping

Vooral de klimatisering van de tussenverdieping betekende een complexe puzzel voor de ingenieurscombinaties die thans werken aan het definitief ontwerp. De kasten kregen uiteindelijk ook een plekje in de kelder, maar voor de ventilatieschachten moest ruimte worden uitgespaard in de muren. Gelukkig werden die door Cuypers eind 19de eeuw zwaar overgedimensioneerd; een dikte van 1 meter is niets bijzonders, weet Jurkait. Er is voldoende constructieve restwaarde om her en der een hap uit een muur te nemen voor een ventilatieschacht, berekenden de constructeurs van Arcadis. Aangezien het meeste metselwerk schuil gaat achter pleisterwerk is dat gemakkelijk te camoufleren.

De precieze route die de lucht in de ruimten volgt verschilt van verdieping tot verdieping en van vleugel tot vleugel. Arup heeft alle opties bestudeerd met behulp van computational fluid dynamics. Voor ruimten met een of twee gewelfbogen, grote en kleine overspanningen, met binnen- en buitenmuren , boveninlaat of vloerinlaat; voor alle varianten zijn de voor- en nadelen in kaart gebracht. Dikke bundels vol stromingspatronen tovert Jurkait op tafel. Ook in de fase van het definitief ontwerp wijzigen de inzichten nog bijna dagelijks.

Maar er is meer dan lucht nodig voor de klimatisering van het Rijksmuseum. Ook data, elektriciteit, licht en water stromen straks rijkelijk door het monumentale gebouw. Alle doen een beroep op dezelfde schaarse ruimte voor technische installaties, die drastisch wordt teruggebracht om het oorspronkelijke ontwerp van Cuypers zoveel mogelijk tot zijn recht te laten komen.

Het zenuwcentrum van alle installaties komt in het ondergrondse energiecentrum naast de oostvleugel. Het horizontaal transport van daaruit gebeurt door een installatiekanaal dat als een tunnel vlak langs de bestaande funderingen van het pand scheert. En natuurlijk ook een keer er dwars doorheen; maar dat is vooral een zorg voor de constructeurs van Arcadis. Het kanaal krijgt forse afmetingen, zodat het begaanbaar is voor de onderhoudsmonteurs.

Om ook �s winters een goed museumklimaat te garanderen, is het volgens Jurkait noodzakelijk dat de buitenmuren van het ruim honderd jaar oude pand worden geïsoleerd. Anders treedt onherroepelijk condensatie op.

Waarschijnlijk komt er een soort foamglass tegenaan, dat niet alleen een barrière vormt tegen de kou, maar ook damp en vocht weert. Het wordt afgewerkt met een pleisterlaag op kleibasis. Lastiger aan te brengen dan de gangbare kalkpleister, maar het voordeel is dat het ademt en vochtregulerend werkt. Het is hetzelfde materiaal dat Cuypers op de muren smeerde en maakt met de isolatie mogelijk dat zonder gevaar voor condensatie de hoge luchtvochtigheid kan worden gehandhaafd, die noodzakelijk is voor het behoud van de kwetsbare doeken en andere museumstukken.

Glas wordt veelal dubbel uitgevoerd, zoveel mogelijk door enkele ruiten vóór de bestaande glas-in-loodramen te plaatsen. Ook de overkapping van de binnenplaats krijgt de dubbele huid terug die Cuypers er destijds in bouwde.

Tijdens een van de vele verbouwingen, waarbij allerlei gebouwtjes op de binnenplaats verschenen was de onderste glaslaag verdwenen. De gebouwtjes verdwijnen, onder de grond worden flinke kelders gebouwd en de binnenplaatsen krijgen een getemperd klimaat, waar de temperatuur nooit onder de 16 ¼C duikt.

Om de transparatie te bereiken die Spaanse architecten Cruz y Ortiz nastreven, wordt een doorbraak gemaakt van de twee binnenterreinen naar de onderdoorgang, in het hart van het museum. In die onderdoorgang komt immers ook de centrale nieuwe entree.

De doorgebroken muren moeten weer worden dichtgezet met glas, zo leerde onderzoek door DGMR Raadgevend Ingenieurs in een windtunnel. Een deel van de onderdoorgang blijft namelijk beschikbaar voor fietsers en voetgangers als verbinding tussen Leidseplein en Museumplein. Die open verbinding zou voor een flinke tocht zorgen in de binnentuinen. Nog afgezien van de veiligheidsproblemen als de binnentuinen buiten openingstijden toegankelijk zijn voor publiek.

Afschaffen van de fietserstunnel was volgens de projectorganisatie niet aan de orde. De windtunnelstudie leerde zelfs dat de fietsers in de toekomst beter af zijn. Ze hebben weliswaar minder ruimte tot hun beschikking, maar daar staat tegenover dat ze aanzienlijk minder last hebben van de wind. Zo krijgt de operatie die wordt geleid door Spaanse architecten en een wereldwijd actief ingenieursbureau toch een typisch Nederlands tintje. Dankzij alle internationale expertise hoeven de fietsers die straks de nationale schatkamer onderlangs kruisen zich niet door een tochtgat te ploegen.

Licht in de tentoonstellingsruimten terugbrengen naar het niveau van Cuypers zou betekenen dat de schilderijen van het Rijksmuseum een overdosis licht te verwerken zouden krijgen. Met name het ultraviolet-licht is schadelijk voor de kwetsbare doeken. Een zee aan licht beperkt naar de zin van tentoonstellingsbouwers ook de mogelijkheden om sommige museumstukken te accentueren door ze extra uit te lichten.

Een belasting van meer dan 600 kiloluxuur per jaar is ongewenst en daarom wordt een deel van de transparante kappen afgedekt. Dat ziet niemand, aangezien ze schuil gaan achter doorschijnende panelen die een verlaagd plafond vormen, zoals Cuypers ze destijds aanbracht. Dat maakt het bovendien mogelijk de klimatiseringsinstallaties onder de kap aan te brengen, zonder dat die een hinderlijke schaduw in de zaal werpen. Voor donkere dagen wordt boven het translucente plafond extra kunstlicht aangebracht.

Op de lagere verdiepingen ligt de natuurlijke lichttoetreding na opening richting binnenplaatsen dichter bij het optimum. Niet alle oorspronkelijke ramen keren overigens terug na de verbouwing; een aantal blijft dicht. Veel later toegevoegde scheidingswanden verdwijnen namelijk ook al.

Om niet te veel muuroppervlak te verliezen waaraan doeken kunnen hangen, blijft een aantal ramen dus dichtgemetseld. Per saldo zal er in de nieuwe situatie veel minder elektriciteit nodig zijn om het Rijksmuseum te verlichten dan nu het geval is.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels