nieuws

Tegenwind tast performance aan

bouwbreed

De sombere ondertoon over de winsten en omzet is ook terug te vinden in de performance ranking top bouwondernemingen van PwC. Op basis van de jaarverslagen van 2002 is de performance gemeten van de twaalf grootste Nederlandse bouwondernemingen. “Uit die analyse blijkt dat de totale performance van de meeste bouwbedrijven is afgenomen ten opzichte van […]

De sombere ondertoon over de winsten en omzet is ook terug te vinden in de performance ranking top bouwondernemingen van PwC. Op basis van de jaarverslagen van 2002 is de performance gemeten van de twaalf grootste Nederlandse bouwondernemingen. “Uit die analyse blijkt dat de totale performance van de meeste bouwbedrijven is afgenomen ten opzichte van 2001”, vertelt Edmond Verstraete, voorzitter van de Sectorgroep Bouw van PwC.

“Dat klinkt wellicht heel onheilspellend. Dat is niet onze bedoeling, maar de uitkomsten zijn wel een teken aan de wand. De voornaamste oorzaak van de slechtere performance is de teruglopende omloopsnelheid, dat wil zeggen de omzet gedeeld door het in de onderneming werkzame vermogen. Bij de meeste bedrijven is de omzet de afgelopen jaren behoorlijk gestegen. Daarnaast zien we echter ook een forse stijging van vermogen dat om een vergoeding vraagt. Anders gezegd: het totale werkzame vermogen in bedrijven stijgt sterker dan de omzet en dat vertaalt zich in de performance. Het lukt de bedrijven kennelijk niet om het gestegen vermogen voldoende renderend in te zetten.”

PricewaterhouseCoopers heeft de performance ranking bouwondernemingen drie jaar geleden ontwikkeld. “Wij willen daarmee voorzien in een behoefte die sterk in de praktijk leeft”, aldus Verstraete. “Het is algemeen bekend dat bouwondernemingen door beleggers en investeerders (te) laag worden gewaardeerd. Dat vinden de bedrijven ook en dat zit ze behoorlijk dwars. Aan de andere kant is het vaak wel erg moeilijk om een bouwonderneming goed te kunnen waarderen. De aan de buitenwacht verstrekte informatie schiet op onderdelen tekort. Bouwbedrijven focussen op een beperkt aantal kortetermijndata: het bedrijfsresultaat, de nettowinst als percentage van de omzet, de koers­winstverhouding, de winst per aandeel en de orderportefeuille. Vooral de orderportefeuille is een mooi voorbeeld van informatie die weinig tot niets zegt over hoe een bouwbedrijf ervoor staat. Zelf schermen de bedrijven graag met een goed gevulde portefeuille.

Hoe groter hoe beter, want de onderneming straalt daarmee continuïteit uit en dat is een factor om rekening mee te houden. Maar veel belangrijker dan de waarde van alle opdrachten is de vraag hoe de orderportefeuille wordt gemanaged. Aan een bouwproject zijn talloze risico�s verbonden, die pas eindigen bij de oplevering en de acceptatie door de opdrachtgever. Gaandeweg kan er heel wat fout gaan, wat tot hoge faalkosten leidt. Bovendien zegt een goed gevulde orderportefeuille ook om een andere reden niet zo veel. Want een bouwbedrijf met een relatief klein vermogen heeft een lage dekking voor de risico�s. Mede van belang om dan te weten, is de hoogte van de leencapaciteit. Als het bedrijf die ruimte nog niet heeft benut, is het ondanks het beperkte vermogen toch voldoende solide om aan de risico�s het hoofd te bieden.”

Kees Cligge, registeraccountant bij de Sectorgroep Bouw van PwC, wijst erop dat nog meer factoren in de weging betrokken zouden moeten worden om een beeld te krijgen hoe een bouwbedrijf écht presteert. “Zoals de waardestuwers, het risicoprofiel, de immateriële activa, de niet­financiële performance­indicatoren en het perspectief op lange termijn. En van groot belang is vooral dat er een helder inzicht is in het risicomanagement van de onderneming. De jaarrekeningen geven over deze grotendeels kwalitatieve aspecten gemiddeld nog onvoldoende informatie.”

Cligge legt uit dat het performance ranking­model op twee pijlers berust: de financiële performance en de financiële soliditeit. De eerste pijler, de financiële performance, beoordeelt het rendement op het totale werkzame vermogen van een onderneming. Met andere woorden: het rendement van al het vermogen dat beschikbaar is voor de onderneming en voor die beschikbaarheid een vergoeding verlangt, dus het eigen vermogen én het rentedragende vreemd vermogen.

De tweede pijler, de financiële soliditeit, is afhankelijk van drie factoren: de omvang van de orderportefeuille, inclusief het nog niet uitgevoerde deel van reeds lopende projecten, het beschikbare garantievermogen en als laatste de leencapaciteit van de onderneming. Cligge: “Met elkaar geven deze indicatoren zowel inzicht in hoeveel rendement het geïnvesteerde vermogen oplevert, als de mate waarin de onderneming een financiële buffer heeft opgebouwd om de vele risico�s te bestrijden. Daarbij wordt rekening gehouden met de omvang van de werkvoorraad, enerzijds als toekomstige productie die geld oplevert en anderzijds als een risico dat moet worden gemanaged.”

Jaarverslag

De performance ranking is nu voor de derde keer uitgevoerd en wordt door de markt goed ontvangen. Daarvan getuigt alleen al het jaarverslag 2002 van Van Wijnen. Daarin verwijst de bouwer naar het onderzoek waaruit het Baarnse bedrijf al twee keer eerder als beste uit de bus is gekomen.

Volgens Cligge krijgt PwC na een performancemeting geregeld dergelijke positieve reacties. “De signalen die uit deze meting komen, nodigen het management van de onderneming uit om de oorzaken bloot te leggen en de mogelijke opties ter verbetering te bespreken. Nu hoop ik alleen maar dat het signaal dat we met ons laatste onderzoek afgeven ook daadwerkelijk overkomt.”

�We willen voorzien in een behoefte die sterk in de praktijk leeft�

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels