nieuws

Fundering Rijksmuseum zoveel mogelijk met rust gelaten

bouwbreed Premium

amsterdam – Door de nieuwbouw apart te funderen en de oude palen met rust te laten denken de constructeurs van Arcadis schade aan het monumentale Rijksmuseum tijdens de renovatie te beperken. Maar niet overal kan de scheiding strikt worden doorgevoerd.

Onder het Rijksmuseum komt een aantal kelders met ruimten voor technische installaties, vergaderingen en opslag van goederen. Zoveel mogelijk gebeurt dat onder de binnenplaatsen of in de achtertuin. Dat levert zo min mogelijk risico op voor het bestaande gebouw. Maar niet overal kan Cuypers creatie met rust worden gelaten, maakt projectleider Andre de Roo van Arcadis meteen duidelijk.

Een in het oog springende plek waar nieuwbouw straks ingrijpt op de oudbouw is de onderdoorgang. Daar situeren de Spaanse architecten Cruz y Ortiz de ingang van het museum in een nieuw te bouwen kelder. Maar Cuypers fundeerde zijn gebouw op gemetselde poeren van bijna 2 bij 2 meter aan de basis, die op hun beurt rusten op houten palen die in de eerste zandlaag staan. Die bakstenen gevaarten staan de gewenste ruimtelijkheid bij de toekomstige entree in de weg en moeten dus worden versmald. Dat gebeurt door de krachten uit de bovenbouw tijdelijk over te dragen op stalen buispalen.

Zodra de poeren zijn vervangen door slanke betonnen kolommen worden de krachten van de bovenliggende gewelven weer teruggeleid naar de oorspronkelijke palen. “Het gebouw zakt immers al 118 jaar redelijk gelijkmatig zonder noemenswaardige problemen. Je kunt het evenwicht in de bestaande fundering dus maar het beste zoveel mogelijk in tact laten”, aldus De Roo.

Eenzelfde soort kunstgreep is nodig waar het nieuwe installatiekanaal de bestaande fundering kruist. Daar wordt de kracht op de kop van de palen via een stalen hulpconstructie omgeleid en direct weer in de voet van de paal geleid. Uiteindelijk wordt de hulpconstructie opgenomen in de constructie van het betonnen installatiekanaal, dat dermate groot wordt uitgevoerd dat het toegankelijk is voor een onderhoudsmedewerker.

In beide gevallen worden nastelbare vijzels gebruikt. Zodra de palen immers onbelast zijn, zullen ze zich wat ontspannen. In mindere mate geldt dat ook voor het grondpakket waar ze op leunen. Zodra beide echter weer worden belast, zal weer een lichte zakking optreden die moet worden opgevangen met hydraulische vijzels. Vergelijkbare operaties bij bijvoorbeeld de Beurs van Berlage hebben volgens afdelingsdirecteur Johan Galjaard van Arcadis laten zien dat het kan. “Het moet uiteraard zorgvuldig gebeuren. De bakstenen gewelven zullen tijdelijk met houtconstructies worden ondersteund om de kans op scheurvorming zo klein mogelijk te houden.”

De onderdoorgang en het installatiekanaal zijn volgens De Roo en Galjaard veruit de grootste bottlenecks in het constructief ontwerp voor de renovatie.

Op de binnenhoven en ook achter het Rijksmuseum worden indrukwekkende constructies gerealiseerd, maar dat gebeurt grotendeels met bekende technieken. Aan de randen van de binnenplaatsen worden damwanden de grond in gedrukt, op een meter van de bestaande fundering. Na het aanbrengen van horizontale stempels wordt er nat ontgraven. Zijdelingse beweging in de grond moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Op een diepte van 6,5 meter onder NAP wordt vervolgens onderwaterbeton gestort, waar bovenop de constructies komen die het Rijksmuseum moet voorbereiden op de 21ste eeuw. Na de heropening in 2008 zal het vele malen meer bezoekers te verwerken krijgen dan Cuypers ooit heeft kunnen dromen. Met forse trekpalen wordt voorkomen dat de grote betonnen bak onder de binnenhof opdrijft. “Alleen al daarom is het van belang de fundering van oud en nieuw compleet los te koppelen”, benadrukt De Roo nogmaals. De nieuwe betonnen kelder wil immers opdrijven, terwijl het gebouw van Cuypers naar beneden wil en de houten palen verder de grond in drukt. Die twee met elkaar verbinden is vragen om moeilijkheden en dat doen we dus niet.”

Verticale dilataties laten de twee gebouwdelen in hun eigen tempo bewegen. Galjaard verwacht dat er in de vijftig jaar na de geplande oplevering in 2008 een zettingsverschil van zo�n 5 centimeter zal optreden tussen beide constructies. “Maar niemand die het merkt. Met een zogenaamd �wiebelveld� van ruim een meter wordt dit verschil moeiteloos overbrugd.”

Vakwerkmuseum

De stalen vakwerken onder het dak van het Rijksmuseum zijn de eerste in hun soort in Nederland. Architect Cuypers experimenteerde er lustig op los en paste in elk bouwdeel en elke vleugel een andere configuratie toe. Dat kon omdat ze toch aan het oog onttrokken waren.

De bonte verzameling vormt bijna een museum dat de mogelijkheden toont van construeren in staal. Berekeningen van Arcadis hebben uitgewezen dat de meeste van die constructies voldoende overwaarde hebben om de 2000 kilogram zware luchtbehandelingskasten aan op te hangen. Die moeten daar een plekje krijgen aangezien de ruimte voor verticale schachten aanzienlijk wordt teruggebracht.

Reageer op dit artikel