nieuws

Nooit meer koppensnellen

bouwbreed

zwijndrecht ­ Het snellen van paalkoppen kost jaarlijks 25.000 kuub beton. Zonde, vonden ze bij Schokindustrie en ze ontwikkelden een heipaal die niet hoeft te worden gesneld. Dat is zo’n 10 procent goedkoper. De paal beleeft zijn primeur op de Bouwbeurs.

Het idee is zo simpel als wat. Stort een paar pijpjes mee in de kop van een heipaal waar je na het heien een speciale mortel in giet en de stekeinden in steekt. Een kind kan de was doen. Althans dat lijkt zo, want de pijpjes moeten natuurlijk voldoende sterk in de paalkoppen verankerd zitten. En ook de gietmortel moet voor voldoende aanhechting zorgen, zodat de krachten van het bouwwerk effectief kunnen worden overgedragen op de paal. Ook het hout in de heimuts moet worden aangepast, want het pijpje ­ een stuk sparingsbuis zoals gebruikt bij voorspankabels ­ moet als de paal eenmaal in de grond zit, niet zijn gevuld met houtsplinters. Dan kan er geen stekeind meer in, laat staan de gietmortel.

Maar als al die technische hobbels zijn overwonnen, wat Schokindustrie claimt, is het snellen van paalkoppen overbodig. Het is immers allang niet meer zo dat het koppensnellen een verkapte stelmogelijkheid is om paal en funderingsbalk goed op elkaar te laten aansluiten. Met de moderne heistellingen worden palen standaard afgeheid met een ‘kalender van 25’: de kracht van het heiblok zo wordt geregeld dat de laatste 25 centimeter met 1 centimeter per slag wordt afgelegd. Dan kan het heien precies op het gewenste punt worden gestopt. Lasermeetapparatuur rond de paalkop die dat bewaakt, is tegenwoordig ook al niets bijzonders meer.

“Bovendien hebben wij bij lange na geen nauwkeurigheid van een centimeter nodig met onze nieuwe paal”, benadrukt ing. Kees Cleton van Schokindustrie. “Een nauwkeurigheid van plus of min 5 centimeter is voldoende.” Samen met Jacco Susan staat Cleton in de octrooiaanvraag te boek als de uitvinder.

Mensonterend

Helemaal nieuw is het idee niet, erkent Cleton. In de jaren zeventig werd reeds geëxperimenteerd met poeren die gewoon over de ongesnelde paalkop werden geplaatst. Ook Schokindustrie was betrokken bij die experimenten, maar de ideeën raakten in de vergetelheid. Het toegenomen milieubewustzijn en de gegroeide aandacht voor arbeidsomstandigheden brachten het idee weer in beeld. Want koppensnellen is in veel gevallen een bijna mensonterend karwei. Volgens Cleton is er over tien jaar geen mens meer die zich daarvoor leent, zeker niet als er steeds hardere betonsoorten worden toegepast. Hydraulische knijpers kunnen namelijk lang niet alle palen aan, of knijpen de wapening kapot. In de praktijk worden daarom nog heel wat koppen handmatig gesneld door een sloper met een pneumatische hamer. Vaak onder beroerde omstandigheden. Niet voor niets heeft Schokindustrie de nieuwe paal Arbo­schokpaal gedoopt.

Kostentechnisch pakt die paal volgens Cleton gunstig uit. Je maakt immers een paal zo’n 75 centimeter korter dan voorheen. Dat scheelt bij een paal van 15 meter al gauw 5 procent.

Daar staan tegenover de extra kosten van de sparingbuizen de gietmortel en een stukje gaas onder het heihout, maar dan nog rest een besparing van zo’n 3 procent. Wie het koppensnellen en de stortkosten van het beton in de beschouwing meeneemt, komt totaal op een voordeel van zo’n 10 procent. Cleton: “Het slopen, afvoeren en storten van een dikke heipaal kost zo’n 675 euro per kuub. Voor dunne palen lopen die kosten zelfs op tot 800 euro. Dat is veel meer dan de productiekosten van de paal.

Jaarlijks is er in heel Nederland met het snellen van koppen 25.000 kuub beton gemoeid. Ook uit milieuoogpunt is de Arbo­schokpaal dus een stap in de goede richting. Schokindustrie neemt weliswaar het beton van de eigen palen gratis terug en voegt dat als granulaat weer toe aan het beton voor nieuwe palen, niet snellen is uiteraard een fraaiere oplossing. De Arbo­schokpaal biedt volgens de bedenkers ook technische voordelen. De wapening bij de aansluiting van de paal op de constructie kan beter worden uitgekiend. Stekeinden kunnen in de werkplaats in elke gewenste vorm worden gebogen . Cleton: “Dat lukt je niet in het werk met wapening van rond 25 millimeter. Vooral bij dunne constructies is dat een manier om te garanderen dat er voldoende ‘vlees’ is om de krachten kwijt te kunnen.”

Asymmetrische wapening aanbrengen bij palen die met een kopmoment worden belast, is ook geen enkel probleem. In de sparingbuizen kunnen elk drie wapeningsstaven van rond 25 millimeter worden geplaatst. Maar het is uiteraard ook mogelijk om de paalkop uit te rusten met meer sparingbuizen, als er meer wapening gewenst is. Ook het gevaar van spanningscorrosie is van de baan, aangezien er geen contact wordt gemaakt tussen de wapening van de constructie en die van de paal.

De palen worden met verdichtingsarm beton gemaakt. Net als de concurrentie experimenteert Schokindustrie met zelfverdichtend beton, onbetwist het materiaal van de toekomst. Ook de gietmortel voor de stekeinden, ontwikkeld door zusterbedrijf Cugla, is daarop geïnspireerd. Ooit zal het dus fluisterstil zijn in de fabriekshallen in Zwijndrecht, als de luchtbellen in het natte beton zelf hun weg naar de oppervlakte zoeken. Maar voorlopig worden de volgestorte bekistingsmallen nog door een machine opgetild die ze vervolgens met een schok laat vallen. Tweehonderd keer per minuut om precies te zijn. Zo doet het bedrijf het al sinds 1934 en daar ontleent het ook zijn naam aan. Want er is nog niets dat zo effectief de luchtbellen verdrijft, vinden ze in Zwijndrecht. Daar kan geen trilapparaat tegenop.

Schokindustrie, Zwijndrecht, stand 07C128.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels