nieuws

Eén oplossing leveren is niet genoeg

bouwbreed Premium

velp ­ Al vijftig jaar proberen de constructeurs en bouwtechnici van ABT zich zo goed mogelijk in de architect te verplaatsen om diens ideeën te verwezenlijken. Ondanks de steeds detaillistischer bouwregelgeving en het afbrokkelende bouwtoezicht. Een gesprek met oprichter prof.ir. Jaap Oosterhoff en één van zijn opvolgers, ir. Rob Nijsse.

Het Nederlands paviljoen in Hannover, de nieuwe overkapping van de Kuip, de Erasmusbrug, Burgers Bush. Het is een kleine greep uit de werken waaraan de naam van Adviesbureau voor Bouwtechniek, ABT, is verbonden als constructeur. Zonder uitzondering worden ze gerekend tot de haute cuisine van de bouwkunst.

Wat heeft ABT moeten doen om die plek in de constructeurswereld te verwerven?

Oosterhoff: “Achteraf kan ik drie uitgangspunten formuleren die ik impliciet hanteerde, toen ik met twee tekenaars op een achterkamertje in 1953 in Arnhem begon. Het eerste uitgangspunt was dat architectuur een belangrijke factor in de samenleving is, die je ruimte moet geven. Ten tweede streefde ik er steeds naar goed te begrijpen wat architecten voor ogen staat, om ten derde in een dialoog te komen tot een keuze voor de draagconstructie en de materialisering.

Dat was indertijd een betrekkelijk nieuwe benadering, omdat civieltechnisch ingenieurs bij het ontwerpen van gebouwconstructies tot dan toe een vrij ondergeschikte rol speelden. Ze waren vooral rekenaars. In de weg­ en waterbouw traden ze wel vaak op als ontwerper, maar daarbuiten niet.

Maar hoe voorkom je dan dat een organisatie een andere kant op drijft? Hoe hou je zo�n cultuur in stand?

Nijsse: “Voorop staat dat die uitgangspunten nog onverkort gelden. Belangrijk is verder dat binnen de platte pannenkoekachtige organisatie van ABT in principe nooit iemand alleen ontwerpt. Om te voorkomen dat je een verkeerde weg inslaat, worden constructies altijd uitvoerig bediscussieerd binnen een team van constructeurs. Zonder aanzien des persoons kunnen jong en oud, rijp en groen daar voorstellen in doen. Verder streven we er altijd naar om klanten meer dan één oplossing te bieden. En zo af en toe doen we extra ons best een gecompliceerde opdracht binnen te slepen om de geesten te scherpen. Zo hebben we destijds scherp ingeschreven op het Nederlands paviljoen op de wereldtentoonstelling in Hannover. Daarmee kun je als bureau de buitenwereld goed laten zien wat je in huis hebt.”

Nooit de behoefte gevoeld om uit de schaduw te treden en zelf op de stoel van de architect te gaan zitten?

Nijsse: “Dat is toch echt een andere discipline die andere vaardigheden vereist. Om te voorkomen dat je de concurrent wordt van je belangrijkste klanten hebben we ook geen eigen architecten in dienst. Dat is ook niet nodig om architecten goed te begrijpen.”

Oosterhoff: “Toch hebben we in de jaren zestig wel even architecten binnen het bureau gehad. Grote klanten als Heineken en Nutricia vroegen ons steeds meer architectonisch werk te verrichten. Toen we zagen dat dat de relaties bij andere projecten op scherp zette, zijn we daar snel van afgestapt.”

Is de relatie met architecten erg veranderd in die vijftig jaar?

Oosterhoff: “Enorm. Architecten zijn zo persistent geworden in hun mening; dat vergt een compleet andere opstelling. Vroeger had een constructeur meer gezag, er werd beter naar hem geluisterd. Het kwam zelfs voor dat architecten tegen ons zeiden: buig jij je eerst eens over het constructief concept, dan hebben we een handvat om de vormgeving op te baseren. Zoiets is vandaag de dag volstrekt ondenkbaar.”

Maar dat leverde die zo verguisde wederopbouwarchitectuur op?

Oosterhoff: “Dat is ook weer zo�n kreet. De tijd van de wederopbouw was een heel inventieve tijd. Er gebeurde van alles, er werd volop geëxperimenteerd met nieuwe bouwtechnieken. Dat kon ook omdat we niet waren gebonden aan die dikke pakketten bouwvoorschriften. Voor betonconstructies had je de GBV 1955; voor staal en hout greep je terug op de TGB 1949. Dat was alles. Kom daar eens om tegenwoordig. Hele bibliotheken vol met normen staan er. Om de ontwerpvrijheid niet verder te beknotten moet de regelgeving weer veel eenvoudiger worden. In het Bouwbesluit moet alleen staan dat constructies voldoende, sterk, stijf en duurzaam moeten zijn. Handboeken moeten daar de richtlijnen bij geven. Op die manier kun je veel flexibeler inspelen op nieuwe inzichten.”

Maar hoe moet het bouwtoezicht dan worden georganiseerd?

Oosterhoff: “Kijk naar onze buurlanden. In Duitsland kennen ze de prüfungsingenieur, een ingenieur die niet bij het ontwerp was betrokken, maar onafhankelijk toeziet op de bouw. In België en Frankrijk verzorgen de verzekeraars het bouwtoezicht. Dat werkt goed, want als er een partij is die belang heeft bij een ongestoorde veilige bouw, zijn zij het wel. Beide modellen zijn vele malen beter dan het Nederlandse, waar het bouwtoezicht de afgelopen decennia enorm is afgebrokkeld.”

En de hoofdconstructeur moet terug in het Bouwbesluit?

Nijsse: “Dat zou natuurlijk veel beter zijn. Want dat is het gekke aan die hele bureaucratisering van de bouw: gebouwen zijn er bepaald niet betrouwbaarder door geworden. De balkons vallen tegenwoordig �spontaan� naar beneden.

Misschien zou het ook beter zijn als constructeurs hun werk niet langer in moordende onderlinge concurrentie moeten verwerven. Als reactie op die tendens zijn bureaus namelijk steeds meer gaan schrappen uit hun werk. Prefab rekenen ze niet meer uit; staalwerk idem dito. Om de prijs te kunnen drukken, wordt veel meer werk bij de toeleveranciers gelegd. Met als gevolg dat niemand nog het totaal overziet. Een redelijke vergoedingspercentage, zoals dat vroeger vastlag, voorkomt zo�n levensgevaarlijke prijzenslag.”

Maar ABT was toch al nooit een goedkoop bureau.

Nijsse: “Wij zijn ervan overtuigd dat als wij de constructie optimaliseren, de opdrachtgever dat terugverdient door efficiënter materiaalgebruik. Hij is dus meer geld kwijt aan de constructeur, maar veel minder aan de aannemer. Het mooiste voorbeeld daarvan was wel de overkapping van de Thialf­ijsbaan in Heerenveen. Het alternatief dat wij ontwikkelden, vergde de helft van de hoeveelheid staal vergeleken met het referentieontwerp. Dat scheelt nogal wat op zo�n kolossale constructie!”

Hoe lang blijft ABT nog zelfstandig?

Nijsse: “Heel lang verwacht ik. Wanneer je wordt opgeslokt door een groter ingenieursbureau, word je werk gestuurd door andere belangen. Dan moet een extreem ontwerpvoorstel worden afgezwakt om de relatie met de opdrachtgever niet te verstoren. Met hem is immers een relatie aangegaan voor de ontwikkeling van een compleet gebied en dat weegt dan zwaarder dan een spectaculair deelproject. Dergelijke koppelverkooppraktijken maken het je onmogelijk het werk te doen, zoals wij dat willen doen. Dan komt die specifieke ABT­cultuur wel degelijk in gevaar.”

�Een redelijke vergoeding voorkomt zo�n levensgevaarlijke prijzenslag�

Reageer op dit artikel