nieuws

Nog weinig innovatie in innovatieve contracten

bouwbreed Premium

Op grond van de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid zijn er volgens Hennes de Ridder in principe vijf hoofdscenario’s denkbaar voor de toekomst van de bouwsector.

Het eerste is dat er bijna niets gebeurt. Een paar mensen worden opgepakt en men blijft verder volharden in te beperkte marktwerking en weinig innovatie. Een typisch overlevingsscenario, niet aan te bevelen maar in deze economisch barre tijden niet onrealistisch.

Het tweede is dat er wordt ingezet op gedragscodes. Betwijfeld moet worden of dat wel zoden aan de dijk zet. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Bij het derde scenario wordt alle energie gericht op regelgeving. Ook hier kunnen vragen bij worden gezet, omdat de regeldichtheid nu reeds erg groot is en te veel regels nu eenmaal ongehoorzaamheid in de hand werkt.

Het vierde scenario probeert innovatie te stimuleren met innovatieve samenwerkingsvormen. Daarmee wordt gemikt op een indeling van aannemers van ‘bestekaannemers’ als ene uiterste, tot DBFMOT­aanbieders (van ontwerp tot en met tijdelijke exploitatie) als andere uiterste. Dat zou een koude sanering kunnen voorkomen. Dit scenario kan alleen als deze samenwerkingsvormen meer worden gericht op het afstemmen van vraag en aanbod in plaats van op het minimaliseren van de risico’s. Hiermee komen we op het laatste scenario: een radicale hervorming van de sector, die gericht is om de productgeörienteerdheid van de bouw om te zetten in een geörienteerdheid op diensten.

Vaste prijs

Het grote probleem van de huidige generatie geïntegreerde en zogenaamd innovatieve samenwerkingsvormen is dat de vraag en het aanbod in het geheel niet op elkaar worden afgestemd. Enerzijds doet de vragende partij zijn uiterste best om de vraag aan de markt vooraf zo goed mogelijk vast te leggen, wetend dat het overhevelen van de ontwerpvrijheid naar een aanbieder niet altijd tot het gewenste resultaat leidt. Vaak wordt daartoe door de vrager voor alle zekerheid zelfs een volledig ontwerp gemaakt, dat ze gemakshalve maar een referentie­ontwerp noemen.

Anderzijds dienen de aanbiedende partijen een offerte te maken voor het ontwerpen, uitvoeren, onderhouden en tegenwoordig soms ook het exploiteren en financieren van het gevraagde bouwwerk. Dat alles voor een vaste prijs. Die kunnen ze alleen aanbieden als zij het gevraagde in zijn geheel precontractueel uitwerken, waarbij ook nog eens uitgebreid wordt gekeken naar de risico’s. Een vaste prijs is voor aanbieders nu eenmaal niet te geven zonder dat zij inzicht hebben in de hoeveelheden en werkmethoden.

Deze inspanningen van één vrager en een aantal aanbieders vinden volstrekt gescheiden plaats, waarbij vanwege de risico’s bijna altijd wordt teruggegrepen op reeds bewezen technieken. Weinig innovatie dus in de innovatieve samenwerkingsvormen. De huidige praktijk van de innovatieve samenwerkingsvormen komt neer op het vroegtijdig tot in details dichttimmeren van hetgeen in de samenwerking allemaal moet gaan gebeuren. Met deze werkwijze worden torenhoge vraagspecificatiekosten gemaakt door de vrager, torenhoge aanbiedingskosten gemaakt door meerdere aanbieders (waarvan er maar één het werk krijgt), en torenhoge transactiekosten gemaakt door de twee partijen die het werk gaan doen. Deze kosten overschrijden ruimschoots de beoogde efficiencywinst door het gecombineerd uitbesteden van delen van de levenscyclus van bouwwerken. De enige die hier echt aan verdienen zijn de (juridische) adviseurs en aannemers die zich in dit veld verder bekwamen. Deze uit Engeland overgewaaide ontwikkeling is de nieuwe trend.

Buiten de bovengenoemde buitenproportionele kosten om de werken gecontracteerd te krijgen, gaat dit ook om andere redenen niet goed. In de eerste plaats worden de vragers met deze werkwijze min of meer uitgeschakeld. De opdrachtgevende partij denkt weliswaar alle vragers te vertegenwoordigen doch dat is vaak helemaal niet het geval. Sterker, er is niet veel verbeelding voor nodig om te beseffen dat het nagenoeg onmogelijk is om alle wenselijkheden van alle vragers, die in de levenscyclus van een bouwwerk ten tonele verschijnen, zoals investeerders, stakeholders, eigenaars en gebruikers, in een vroegtijdig contractmoment goed vast te leggen.

Dichtgetimmerd

Ten tweede is de opdrachtgevende partij in de korte tijd die hem bij het uitbrengen van zijn offerte ter beschikking staat, niet in staat om alle mogelijkheden die de verschillende onderaannemers en leveranciers hem zouden kunnen geven op dat ene contractmoment te mobiliseren.

In de derde plaats worden er in het metersdikke contract per definitie geen onvoorziene zaken opgenomen. Door het dichtgetimmerde contract en de gecreëerde ontwerpvrijheid en ontwerpverantwoordelijkheid, staat de zaak dus bij de eerste de beste onvoorziene gebeurtenis op scherp omdat er geen enkele ruimte is om te sturen. Dat is voor de Engelsen meestal geen probleem omdat die van conflicten en de daarbij behorende gevechten houden, doch voor de Nederlanders is dit al snel vervelend. Nederlanders willen liever handelen dan vechten.

Conflicterend

Ten vierde is er het gegeven dat er ­ hoe uitgewerkt ook ­ altijd conflicterende eisen zullen zijn. Dat kan in de loop van het project door aanbiedende partijen worden gebruikt en soms misbruikt om de financiële positie te verbeteren.

Geïntegreerde samenwerkingsvormen zouden minder initieel vast moeten leggen, en in de contractsfeer sturingsmogelijkheden moeten hebben om adequaat in te spelen op de wensen van de verschillende vragers met de mogelijkheden van de verschillende aanbieders. Die wensen zijn veranderlijk, waarop professioneel dient te worden ingespeeld.

Reageer op dit artikel