nieuws

Huurbelasting: terugkeer naar zéér oude politiek

bouwbreed Premium

De gelukkig snel van tafel geveegde voorgestelde invoering van een huurbelasting van het duo Balkenende­Bos blijkt een hardnekkig bestaan te leiden. Omdat Hugo Priemus vreest dat deze oplossing ook in de toekomst wel weer zal opduiken, is het van belang om deze beleidsmaatregel eens kritisch tegen het licht te houden.

Het volgende kabinet moet netto 14 à 15 miljard Euro bezuinigen. Dat begrijp ik. Het beleidsveld ‘volkshuisvesting’ moet daaraan een bijdrage leveren. Dat streven kan ik ook nog volgen. De voorgestelde oplossing van het duo Balkenende­Bos luidde: invoering van een huurbelasting. Nu schiet mijn begrip ernstig tekort.

Het idee van een huurbelasting is sinds de jaren zestig met een zekere regelmaat opgedoken, meestal op initiatief van de PvdA. Het idee is steeds: vele huishoudens betalen weinig huur in relatie tot hun inkomen. Zoals Heerma het later zou formuleren: zij wonen scheef. Men vond dat zij ten onrechte van objectsubsidies profiteerden. Daarom zouden zij huurbelasting moeten betalen, als compensatie voor de ten onrechte genoten subsidie en als stimulans om te verhuizen naar een woning met een hogere huur of een koopwoning. Soms verbreedde het idee zich tot een woonbelasting (waarom zou je uitsluitend huurders te grazen nemen?).

Argumentatie

Sommigen zeiden binnenskamers dat het aankondigen van een huurbelasting al effect heeft, omdat dit verhuizingen zou stimuleren. Invoering van een huurbelasting is uiteindelijk nooit door enig kabinet serieus overwogen. Waarom zou ook het tweede kabinet­Balkenende er verstandig aan doen geen huurbelasting in te voeren? Hier volgt een argumentatie voor beginners. Allereerst zijn alle objectsubsidies in de huursector in 1995 afgeschaft. Men kan dus niet langer spreken over ten onrechte ontvangen subsidies. Ten tweede heeft het Kabinet sinds het begin van de jaren negentig het begrip ‘scheefheid’ afgezworen. De voordelen van een gedifferentieerde bevolking in verpauperde stadswijken worden thans breed uitgemeten. Ruimtelijke segregatie moet worden tegengegaan. Dat huishoudens met een midden­ of hoog inkomen een goedkope woning in zo’n wijk bewonen, heeft vermoedelijk gunstige externe effecten. Een huurbelasting zou deze mensen uit de wijk verjagen. Punt drie. Waarom moet een weloverwogen consumentenkeuze financieel worden afgestraft? En als bewoners niet konden kiezen op de woningmarkt, wordt een belasting zo mogelijk nog dubieuzer. Ten vierde brengt een huurbelasting draconische uitvoeringsproblemen met zich. In het verleden is bij herhaling vastgesteld dat er voor een huurbelasting in het geheel geen maatschappelijk draagvlak bestaat. Zo’n belasting moet eerst wettelijk worden geregeld (duurt jaren) en vergt daarna een kolossale uitvoeringsorganisatie waarop de Belastingdienst niet zit te wachten.

In de wereld van de woningcorporaties doet een alternatieve oplossingsrichting de ronde die, vergeleken met een huurbelasting, op het eerste gezicht aantrekkelijk lijkt, maar even krachtige bestrijding verdient als de huurbelasting.

Distorsie

Volgens het Centraal Planbureau (H. ter Rele en G. van Steen, 2001) worden huurders van corporatiewoningen door woningcorporaties gesubsidieerd, doordat de huren van corporatiewoningen veel lager zijn dat het marktniveau. Dit ziet het CPB als een distorsie van de huurmarkt, hoewel het laag houden van de woonlasten als publieke taak voor woningcorporaties wordt verwoord in de nota Wonen (2000) van ex­staatssecretaris Remkes. Het CPB pleit voor een krachtige verhoging van de huren van corporatiewoningen naar een marktconform niveau (in de huurwetgeving wordt dit niveau benaderd door de zogeheten maximale huurprijs, vroeger ‘maximaal redelijke huur’ genoemd). In corporatiekringen pleit men voor een dergelijke aanpak, waarbij de woningcorporaties bereid zijn om ‘eerlijke’ inkomenshuren in rekening te brengen die lage­inkomensgroepen ontzien. Dit houdt in dat de huursubsidiëring, tot nu toe beschouwd als een taak voor het ministerie van VROM, deels door woningcorporaties zou worden overgenomen. Als men deze weg opgaat, zou men de publieke taak van woningcorporaties moeten schrappen, die hen verplicht de woonlasten van hun huurders beperkt te houden. Huurverhogingen in de richting van het marktniveau staan haaks op het streven naar woonlastenbeheersing.

Veel erger is de chaos die op de woningmarkt ontstaat als private woningcorporaties verantwoordelijk worden voor een inkomensherverdelende maatregel, het inkomen en de samenstelling van huishoudens permanent moeten screenen en de huur­verhuurrelatie moeten combineren met een functie als subsidiegever. Per saldo zal het vermogen van woningcorporaties door geforceerde huurverhogingen sterk stijgen, terwijl, gemiddeld genomen, de corporatiesector er financieel al heel gezond voor staat. Voorts profiteren ook de commerciële verhuurders van deze maatregelen, zonder dat dit een bijdrage levert aan het realiseren van de gezochte bezuinigingen.

Ook een huurverhogings­annex inkomenshuren­scenario voor woningcorporaties maakt meer kapot dan het oplost. Ja, maar we moeten de doorstroming toch bevorderen, wordt door de bedenkers van nieuwe maatregelen tegengeworpen. Een goed doel, zeker. Ik adviseer de betrokkenen om eens wat meer woningen te bouwen. De productie is nu tot het bedenkelijke jaarvolume van 67.000 woningen teruggezakt (streefcijfers volgens Nota wonen: 100.000 woningen).

Advies

Samenvattend het volgende puntsgewijze advies aan het nieuwe kabinet:

Reageer op dit artikel