nieuws

Herstel van vertrouwen overheid­aannemer begint met het creëren van duidelijkheid

bouwbreed Premium

Het herstel van vertrouwen tussen opdrachtgever en aannemer, moet beginnen met duidelijkheid. Volgens mr. J.G.J. Janssen gaat het daarbij naast de duidelijkheid omtrent de eigen positie van de overheid enerzijds en van de markt anderzijds, vooral om duidelijkheid omtrent de regels van het spel en welke spelers daaraan mee mogen doen.

De regels van het spel zijn vastgelegd in de aanbestedingsregelgeving. Naast de Europese Richtlijnen kennen wij een Raamwet EEG­voorschriften Aanbestedingen; Beleidsregels Aanbesteding van Werken van de drie Bouwministeries; het UAR 2001 en het UAR­EG 1991 en tenslotte locale aanbestedingsreglementen zoals die van de gemeente Rotterdam en NS Rail Infrabeheer/ Pro Rail. Terecht concludeert Minister Kamp dat dit scala van regelingen een zeer gevarieerd en voor de sector een onoverzichtelijke bajert van regels oplevert.

Dat het kabinet tot de conclusie komt dat het gewenst is te komen tot een algehele opschoning van de regels voor aanbestedingen van werken, is een goede zaak. Het zal echter de nodige zweetdruppels kosten een nieuwe aanbestedingswet te maken die bedoeld is voor de aanbesteding van alle overheidsopdrachten van zowel de centrale overheid als de locale overheden; voor opdrachten die vallen onder de werking van de Europese Richtlijnen Werken, Leveringen en Diensten, maar ook voor de (kleine en middelgrote) opdrachten die niet onder de Richtlijnen vallen. Tot het moment waarop deze aanbestedingswet van kracht zal worden (ultimo 2006) zullen de huidige UAR­en in aangepaste vorm van kracht blijven. Die aanpassing dient nog dit najaar te worden gerealiseerd.

De onderwerpen waar het om gaat zijn echter niet erg spectaculair te noemen. Zo moeten er administratieve regels komen voor het openen van alle enveloppen met inschrijvingsbegrotingen ingediend bij een aanbesteding. Het elektronisch aanbesteden en veilen moet tot stand worden gebracht. Het voordeel daarvan zou zijn dat contracten tussen aanbieders helemaal niet meer hoeft plaats te vinden, hetgeen een utopie lijkt omdat veel werken in combinatieverband worden uitgevoerd en voor het vormen van een combinatie toch weer onderling contract nodig is.

Tenslotte moet van het management van bouwbedrijven een verklaring kunnen worden geëist dat de mededingingswet niet is overtreden. Dat is nogal opmerkelijk omdat tot nu toe in geen enkele bedrijfstak managers strafrechtelijk vervolgd kunnen worden voor valsheid in geschrifte in het kader van het uitbrengen van een aanbieding, terwijl het kabinet er nu juist op uit is de bouw, meer als voorheen, als een normale sector te behandelen.

Het kabinet wil frauderende bedrijven kunnen uitsluiten van deelname aan een aanbestedingsprocedure. Er is echter niet gekozen voor plaatsing op een zwarte lijst, maar voor een systeem dat is ingericht in het kader van de wet Bibob. Dit lijkt echter contraproductief, omdat die wet zelfs minder uitsluitingsbevoegdheden kent.

Het hoeft ook niet als, net als in België, gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid uit de huidige Europese Richtlijn Werken om te werken met officiële lijsten van erkende aannemers. In het kader van die erkenning kunnen aannemers (op centraal niveau door één overheidsinstantie) periodiek worden gewogen, zodat voor alle aanbestedende diensten duidelijk is welke bedrijven wel en welke niet als betrouwbaar erkend zijn. Bovendien heeft dit nog het voordeel dat die erkenningsregeling zich ook zou kunnen uitstrekken tot geschiktheidscriteria (de financieel economische eisen en de ervaringseisen). Dat zou meteen een hoop administratieve rompslomp bij aanbestedingen schelen.

Bovenstaand is een gedeelte uit de bijdrage van mr. J.G.J. Janssen, Partner bij Stibbe, aan het Cobouwcongres over aanbesteden.

Reageer op dit artikel