nieuws

Blinde vlek

bouwbreed Premium

Blinde vlek

Onlangs sprak ik in het voorbijgaan de hoofdredacteur van een respectabel opinieweekblad. Toen hij hoorde dat ik over architectuur schreef, was zijn eerste vraag of ik de Nederlandse architectuur een keer met de grond ging gelijkmaken. Daar wist ik alleen zwakjes op te antwoorden dat er volgens mij niet zo veel reden voor was. Waarna hij vervolgde met de vraag wanneer Rem Koolhaas ‘nu eindelijk eens iets fatsoenlijks gingen bouwen.’

Ik was daar even door van mijn stuk gebracht, want ik had niet gerekend op zo veel dédain voor de Nederlandse architectuur in het algemeen en die van Koolhaas in het bijzonder, iemand die ­ hoe je het ook wendt of keert ­ wereldwijd geldt als een van de belangrijkste architecten van dit moment.

Het gesprek was te kort om omstandig uit te gaan leggen dat er volgens mij niet zo veel reden is om negatief te doen over de architectuur en zeker niet over de Nederlandse. Pas achteraf bedacht ik dat ik gewoon een wedervraag had moeten stellen aan deze man wiens intellectuele capaciteiten ik werkelijk hoog acht: Of hij zich kon voorstellen dat hij op eenzelfde laatdunkende manier over de beeldende kunst of de literatuur zou praten? En of hij van een winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur zou durven vragen ‘wanneer die eens een fatsoenlijk boek gaat schrijven.’ (Koolhaas is immers de winnaar van de Pritzkerprijs 2000, een prijs die altijd weer wordt aangeduid als de Nobelprijs voor de architectuur.)

Je kunt je veronderstellen dat voor deze hoofdredacteur geldt wat Karel van het Reve ooit toegaf, dat hoe minder hij wist van een onderwerp des te stelliger zijn mening was. In zijn stellig meningen over architectuur staat deze hoofdredacteur niet alleen. Architectuur is in Nederland een geliefd doelwit van wat ik voor het gemak maar schrijvende denkers noem.

Sinds Gerrit Komrij begin jaren tachtig in Het boze oog de vloer heeft aangeveegd met de architectuur en speciaal met architecten als Van Gool en Van Klingeren, is het in intellectuele kringen heel gebruikelijk om op een badinerende toon over architectuur te schrijven en te spreken. En dat gebeurt door mensen die op de terreinen van politiek, maatschappij en cultuur allerlei genuanceerde opinies hebben, maar niet op het terrein van de architectuur. Daarvoor hebben ze een blinde vlek. En wat deze intellectuelen wel waarnemen aan gebouwen is bijna altijd lelijk en slecht. En bevindt zich in het centrum van Amsterdam, klaarblijkelijk het enige gebied waar de bezitters van deze blinde vlek scherp zicht op hebben: de Nederlandse Bank van Duintjer, de Stopera van Holzbauer en Dam, de twee kantoorvilla’s van Van Gool tegenover het Rijksmuseum, gebouw Byzantium van het Office for Metropolitan Architecture op de kop van het Vondelpark, het complex van Van Berkel aan de Nieuwezijds Kolk, het Museumplein met het ‘ezelsoor’ van de ondergrondse Albert Heijn van de Deen Andersson. Van minstens de helft van dit rijtje zou je de lelijkheid en slechtheid kunnen betwisten, maar als je af zou gaan op de denkers en dichters is de Amsterdamse binnenstad een aaneenschakeling van architectonische drama’s, blunders en fiasco’s.

Er is reden om aan te nemen dat de visie van het weldenkende deel van Nederland letterlijk onderontwikkeld is. Wat misschien samenhangt met de stiefmoederlijke behandeling in het onderwijs van het kijken. Op school en op de universiteit leer je lezen, schrijven, luisteren en als het goed is nadenken, maar nauwelijks kijken. De Amsterdamse hoogleraar kunstgeschiedenis Jaffé had de gewoonte om tegen studenten te zeggen dat als je niet weet hoe bijvoorbeeld de deurknop in je eigen huis eruitziet, je nooit een goede kunsthistoricus kon worden. Wat voor veel studenten buitengewoon ontmoedigend bleek te zijn.

Ik vrees dat de meeste weldenkende mensen die zich zo hartgrondig tegen de eigentijdse architectuur keren ook niet precies weten hoe hun eigen deurknop eruit ziet. Daarmee is het probleem dat denkers en schrijvers zo’n antipathie voor eigentijdse architectuur hebben allerminst opgelost, maar het is misschien wel het begin van een verklaring. Maar dan nog blijft de vraag onbeantwoord hoe de architectuur zich zo ver heeft kunnen verwijderen van andere cultuuruitingen dat het op zoveel onbegrip kan stuiten.

Reageer op dit artikel