nieuws

Op wie kan schade vallende gevelplaten worden verhaald?

bouwbreed Premium

Op wie kan schade vallende gevelplaten worden verhaald?

Eind 2001 stortte bij zware wind een natuurstenen gevelplaat van de Achmea­toren in Leeuwarden naar beneden. De plaat kwam terecht naast een oliebollenkraam en enkele geparkeerde auto’s: niemand raakte gewond. In februari 2002 was het weer raak en kwam opnieuw een gevelplaat naar beneden. Ook in Utrecht kwamen enkele glazen gevelplaten van een schoolgebouw naar beneden zetten en in oktober vorig jaar werd het treinverkeer tussen Leiden en Schiphol ontregeld nadat een gevelplaat van een gebouw in aanbouw bij harde wind op het spoor terecht was gekomen. Het spreekt voor zich dat een gevelplaat die naar beneden valt aanzienlijke schade kan veroorzaken. Tot wie kan een gedupeerde derde zich in een dergelijk geval wenden?

De hierboven geschetste situaties onderscheiden zich in ieder geval al op een belangrijk punt: in de eerste twee gevallen betrof het een gebouw dat door de aannemer reeds was opgeleverd, terwijl het gebouw in het laatste geval nog in aanbouw was. In het eerste geval is de vraag wie tegenover een derde aansprakelijk is voor de door deze laatste geleden schade als gevolg van een ‘defect’ aan een bouwwerk redelijk eenvoudig te beantwoorden. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt namelijk in artikel 6:174 dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen en zaken in beginsel aansprakelijk is. De benadeelde derde behoeft in dat geval niet de schuld van de eigenaar aan het ontstaan van de schade te bewijzen: het betreft een vorm van risico­aansprakelijkheid. Nu eenvoudig kan worden gesteld dat een 150 kilo zware gevelsteen niet bij een storm naar beneden mag komen, is de aansprakelijkheid van de bezitter snel aan te nemen. Wellicht dat de bezitter op zijn beurt de door hem geleden schade weer kan verhalen op zijn (voormalig) aannemer of de architect, maar voor de derde is dit in feite niet relevant.

Zichtbaar

In het laatste geval is de wetgeving minder helder. Het beginsel van de aansprakelijkheid voor de bouwende partij ­ nog even het onderscheid tussen opdrachtgever, architect en aannemer buiten beschouwing latend ­ is al eind 19e eeuw door de Hoge Raad aangenomen en heeft tot op de dag van vandaag min of meer ongewijzigd stand gehouden. De Hoge Raad bepaalde dat degene die een werk op eigen terrein aanlegt dit zodanig moet doen, dat schade hierdoor aan een anders eigendommen en als mogelijk was te voorzien voorkomen dient te komen. Voor de benadeelde derde zal het niet altijd even duidelijk zijn wie hij kan aanspreken, immers bij de realisatie van een bouwwerk zijn vele partijen betrokken: dient hij zich te wenden tot de aannemer, de opdrachtgever, de architect?

In de literatuur is de vraag gerezen of er een centraal verantwoordelijk persoon is aan te wijzen: de opdrachtgever, als degene die het hele bouwproces in gang heeft gezet, of de aannemer, die het werk daadwerkelijk realiseert, vaak het meest zichtbaar is voor de derde en overigens ook vaak de schade veroorzaakt. Het verlossende woord hierover is nog niet gesproken, zodat moet worden aangenomen dat vooralsnog niet van een centraal aansprakelijk persoon kan worden gesproken.

In het geval van vallende gevelplaten valt eigenlijk niet in te zien waarom de opdrachtgever niet zou kunnen worden aangesproken op het hiervoor reeds vermelde artikel 6:174 BW, aangezien ook onvoltooide bouwwerken volgens de rechtspraak vallen onder het begrip opstal als bedoeld in het artikel. Voordeel voor de derde is in ieder geval dat hij zich niet hoeft te buigen over de schuldvraag, nu het immers een risico­aansprakelijkheid betreft. Terzijde merk ik nog op dat indien de schade niet is veroorzaakt door of vanwege het onvoltooide bouwwerk, maar bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een bouwput of een door de aannemer opgerichte stellage, artikel 6:174 BW niet van toepassing is. In de praktijk zal evenwel vaak de aannemer als eerste aansprakelijk worden gesteld voor de door een derde geleden schade als gevolg voor de bouwwerkzaamheden. Ook in de jurisprudentie ligt de nadruk op de aansprakelijkheid van de aannemer. Deze aansprakelijkstelling geschiedt op basis van het ‘gewone’ onrechtmatige daadsartikel 6:162 BW, zodat de derde de schuld van de aannemer aan het ontstaan van de schade zal moeten stellen en bewijzen. Hierbij moet men evenwel in gedachten houden dat in de jurisprudentie zulke zware eisen worden gesteld aan de door de aannemer te nemen voorzorgs­ en veiligheidsmaatregelen, dat diens aansprakelijkheid een vorm van risico­aansprakelijkheid in de praktijk vaak dicht benadert.

Bouwdeskundige

Toch kun je je afvragen of het altijd terecht is om de aannemer ook daadwerkelijk de schade te laten dragen. Wat bijvoorbeeld te denken van de situatie dat de bevestigingsmethode van de gevelplaten, zoals voorgeschreven in het door een derde opgestelde bestek, niet voldoet? In de literatuur wordt benadrukt dat een aannemer zich als ‘bouwdeskundige’ niet snel aan haar aansprakelijkheid kan onttrekken. Het Hof Amsterdam heeft dit eens verdedigd door te bepalen dat de aannemer niet als ‘willoos werktuig’ in de handen van de opdrachtgever is te beschouwen. Anderzijds valt niet in te zien waarom een opdrachtgever niet gehouden kan zijn de schade van de benadeelde derde (gedeeltelijk) te dragen als deze schade het gevolg is van in het bestek voorgeschreven handelingen of anderszins handelingen die door de opdrachtgever zijn voorgeschreven. Indien dat het geval is kan de derde natuurlijk ook de opdrachtgever aanspreken, hoewel de vraag natuurlijk gesteld kan worden of het voor een derde mogelijk is om te beoordelen of er inderdaad sprake is geweest van bijvoorbeeld een fout in het bestek. Is dat laatste het geval, dan valt ook niet in te zien waarom niet (ook) de architect aangesproken kan worden, immers hij is verantwoordelijk voor het bestek en niet zelden ook de directievoering. Als zodanig wordt de architect evenwel toch vaak gezien als een vertegenwoordiger van de opdrachtgever, zodat een benadeelde derde meestal eerst bij de opdrachtgever aanklopt.

Een derde die schade ondervindt van een vallende gevelplaat, heeft dus vele mogelijkheden zijn schade te verhalen. De opdrachtgever en de aannemer komen hier weliswaar het eerst voor in aanmerking, maar niet zelden volgt daarna een strijd tussen de andere bij de bouw betrokken partijen over de vraag wie de schade uiteindelijk zal moeten dragen. Naast de opdrachtgever, de aannemer en de architect, kunnen dat overigens ook andere partijen zijn: in het kader van dit artikel zijn bijvoorbeeld de onderaannemer, de overheid als toezichthouder op de bouw en de producent van bouwmaterialen nog buiten beschouwing gebleven. Mr. W. Maarten van Luijn, SchutGrosheide Advocaten Notarissen Belastingadviseurs te Amsterdam

Reageer op dit artikel