nieuws

Geen krot maar wel rijp voor sloop

bouwbreed Premium

Bij de sanering van onze binnensteden in de jaren zestig en de stadsvernieuwing in de jaren zeventig en tachtig, beide in de vorige eeuw, zijn in principe alle krotten gesloopt. De weinige die aan de sloophamer hebben weten te ontsnappen moet men met een lantaarntje zoeken en zo men er een vindt dan is er gerede kans dat het een museumwoning is.

Een krot is een verouderde woning waar zelfs een aannemer geen brood meer in ziet en dat zegt wat. Tegelijk staan bouwers ambivalent tegenover krotten: aan een krot mag dan geen eer meer te behalen zijn, met de grond waar ze op staan is altijd wel iets te doen. Alleen al om die reden is het interessant stil te staan bij het fenomeen krot. Het is verleidelijk om een krot te zien als iets uit het verleden. Als iets, dat is verbonden met oude steden met tegen elkaar aanleunende huizen, die verzakt en tochtig, de kieren met oude kranten dichtgestopt, onderdak bieden aan de allerarmsten. Voorbije tijden, overgegaan in de romantiek van een tekening van Anton Pieck. Er is echter wel wat meer te zeggen over krotten. Ten eerste, een krot bouw je niet. Ook al is bekend dat er bij het bouwen wel eens iets stevig mis gaat, is het niet normaal dat een opdrachtgever zich een krot laat bouwen. Krotten ontstaan pas na verloop van tijd. Daarbij spelen tal van mogelijke oorzaken, die men kan vangen onder de ‘vervalindicatoren’. Verder is het niet zo dat er in (oude) steden in het verleden altijd krotten waren. Neem Den Haag. Daar was het Jakob de Riemer, een van de weinige geschiedschrijvers die de Hofstad rijk is, die in 1730 als tijdgenoot de waarneming deed dat er in Den Haag dan ‘zoo weinige slegte en geene vervallene of onbewoonbare huizen gevonden worden’.

Conjunctureel element

In dat verband is het goed te weten dat Den Haag toen bekend stond als een plaats waar het goed toeven was, in tegenstelling tot tal van andere steden, die te lijden hadden onder de economische malaise van die tijd. De aanwezigheid van krotten heeft een conjunctureel element in zich; in conjunctureel gunstige tijden verdwijnen ze als gevolg van investeringen. Onze periode van welvaart, zoals die na de tweede wereldoorlog heeft ingezet, is daarvan een bevestiging. Er is wel een verschil. Anders dan in vroeger eeuwen wordt het saneren van krotten niet meer overgelaten aan alleen de werking van economische krachten. Instrumenten en instituties hebben die werking goeddeels overgenomen. Denk daarbij aan het tot stand brengen van de woningwet (1901), met het instrument van onbewoonbaarverklaring en later de krotopruiming en nog weer later de inzet van algemene financiële middelen.

Knelt

Het krottenprobleem mag dan onder controle zijn, woningen hebben niet het eeuwige leven. We kunnen waarnemen dat besloten wordt tot sloop van woningen die op dat moment niet met goed fatsoen als krot zijn te bestempelen. Geen krot maar wel rijp voor de sloop. Die constatering knelt temeer aangezien het niet om een enkel huis gaat, maar steeds vaker over een straat, buurt, wijk en zelfs hele wijken van na de oorlog. Wat maakt een huis dan tot een slooppand, waaruit de bewoners dienen te vertrekken, dat gesloopt gaat worden en waar iets nieuws voor in de plaats komt.

Reageer op dit artikel