nieuws

Wederopbouw na de ramp

bouwbreed Premium

zierikzee ­ “Kijk, dat huisje uit 1800 is blijven staan”, wijst Leen Quant vanuit de auto tijdens een rondrit over Schouwen­Duiveland. “Hoe kan dat nou?” Het is voor oud­aannemer Quant (1925) nog steeds onbegrijpelijk dat degelijke boerderijen bij de watersnoodramp soms compleet werden weggevaagd, terwijl oude, bouwvallige huisjes een klein stukje verderop stand hielden. Veel van de boerderijen op het eiland van na 1953 heeft hij zelf opgebouwd.

Quant werkte nog maar een paar jaar bij het gelijknamige bouwbedrijf van zijn vader en broer in Zierikzee toen die nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari het leven compleet op z’n kop zette.

Tijdens de rampnacht vijftig jaar geleden was Quant op bezoek bij kennissen in Oosterland. Zijn familie, die de ramp thuis in het centrum van Zierikzee overleefde, was vreselijk ongerust. Pas dinsdagmiddag werd Quant gered door een helikopter en kon terugkeren naar Zierikzee. “Mijn vader dacht al dat ik dood was.” Die eerste periode was verschrikkelijk, herinnert Quant zich. Er was veel verdriet, want iedereen kende wel mensen die waren omgekomen. Een deel van de stad was zwaar getroffen, een ander deel was nog enigszins bewoonbaar, al bleef het water voor overlast zorgen. “Bij hoogwater stond alles onder water totdat er een nooddijk opgebouwd was rond Zierikzee.”

Niet zeuren

De wederopbouw begon direct na de ramp. Alle jonge mannen werden ingeschakeld om te helpen. Eerst moesten de dijken worden hersteld. Quant: “Ik heb van alles gedaan, zoals zandzakken dragen. Als timmermannen hebben we stellingen gemaakt. We werkten dan vanuit roeiboten.” Ook al begon het herstel snel, die eerste weken waren chaotisch. “Ik weet niet eens of ik die eerste maand wel geld heb gehad.”

Een groot deel van de eilandbewoners was maandenlang geëvacueerd, totdat de dijken waren gedicht en het water weggepompt. Pas toen konden de beschadigde huizen weer bewoonbaar worden gemaakt. “Je deed huisje voor huisje. Je begon één kamer weer netjes te maken, zodat mensen er konden wonen. Later kwam je terug om het af te maken.” Voordat huizen weer helemaal op orde waren, duurde op die manier dus wel even. Quant kan zich niet herinneren daar ook maar één klacht over te hebben gekregen. “Mensen waren verdraagzamer. Ze hadden allemaal hetzelfde meegemaakt. Het verdriet van je buren was ook jouw verdriet. Dan ga je niet zeuren: wanneer is mijn huis klaar?”

Afspraken

Ook al was Schouwen­Duiveland een hele tijd afgesloten van de buitenwereld, toch leverde de aanvoer van bouwmaterialen en het vervoer van arbeiders in de herinnering van Quant geen problemen op. Het meeste vervoer verliep over water. Al een paar dagen na de ramp meldden de eerste leveranciers zich per post om afspraken te maken over levering. Financieel is het bedrijf van de familie Quant niet in de problemen gekomen. De NAPB, de Nederlandsche Aannemersbond en Patroonsbond voor de Bouwbedrijven in Nederland, startte naast de nationale inzameling via het Rampenfonds een eigen actie onder de noemer ‘De NAPB helpt mee’. Die gelden waren onder meer bestemd voor getroffen collegabedrijven. De firma Quant kreeg een overbruggingskrediet van 500 gulden om te voorkomen dat het in financiële problemen kwam.

Het duurde immers wat langer dan normaal voordat het bedrijf betaald kreeg voor zijn werk. Veel klanten waren afhankelijk van vergoedingen door de verzekering en een speciale schade­uitkering van het Rijk. “Pas als zij geld kregen, kregen wij geld.” Het herstel zorgde voor veel werk. Niet alleen voor de 42 metsel­ en timmerbedrijfjes in Zierikzee en omgeving, waaronder Quant, maar ook voor bouwers uit de rest van het land. Eerst leenden de bouwbedrijven van buiten het eiland alleen hun werknemers uit. “Bij ons hebben maandenlang twee vreemde arbeiders gewerkt. Ze lagen bij ons in de kost.” Pas bij de opbouw van vernielde huizen en gebouwen gingen de bouwers uit de rest van het land ook zelf aan de slag. Scheve ogen heeft dat volgens Quant nooit gegeven. “Ze kwamen overal vandaan om boerderijen te bouwen. Maar ja, wij hadden ook werk zat. Je mocht toen blij zijn dat er een aannemer kwam.”

In de eerste jaren na de ramp is bouwbedrijf Quant vooral bezig geweest met de opbouw van nieuwe boerderijen. Ook werkte het bedrijf als onderaannemer mee aan de bouw van plan­Buyse, de eerste nieuwe woonwijk na de ramp, aan de westkant van Zierikzee. Met de prefab noodwoningen die overal in hoog tempo verrezen, had Quant geen bemoeienis. “We hebben wel een houten noodkerkje dat eerst in Noordgouwe stond, overgezet naar Kerkwerve. Het heeft daar nog jaren dienst gedaan.” Het heeft wel geduurd tot 1960, schat Quant, voordat alle schade goed en wel hersteld was op het eiland. Jaren van lange dagen maken en hard werken. “Maar ja, je was jong.” Als gevolg van de wederopbouw, brak direct daarna een slappe tijd aan. “Er was weinig werk, want alles was net vernieuwd.” Noodgedwongen zocht Quant z’n heil toen elders in het land. Zo werkte het bedrijf als onderaannemer mee aan een project in Denekamp.

Eind jaren zestig trok het weer aan en dat bleef ook zo. Het voormalige timmerbedrijfje is uitgegroeid tot allround bouwbedrijf met 24 werknemers. Vader Leen Quant heeft al jaren geleden plaatsgemaakt voor zoon Dick, de derde generatie inmiddels.

Dichten stroomgaten duurde maanden

Het herstel van de dijken begon direct na de ramp in nauwe afstemming tussen Rijkswaterstaat, waterschappen, provincie en gemeenten. De kleinere stroomgaten werden de eerste dagen voor zover mogelijk gedicht met zandzakken. In de weken daarna werden die nooddichtingen versterkt met steen, matten, kistdammen en bootjes.

Het sluiten van de grote stroomgaten gebeurde in de loop van 1953 door Rijkswaterstaat met caissons en ander groot materieel. Om die enorme klus te klaren stuurde Rijkswaterstaat ingenieurs en aannemers van de Zuiderzeedienst naar Zeeland. Speciaal voor het herstellen van de dijken zette Rijkswaterstaat de Dienst Dijkherstel Zeeland op. Begin november werd in Zeeland het laatste grote stroomgat gedicht bij Ouwerkerk. Maar ook daarna was die dienst nog geruime tijd bezig met het herstellen van de zwaar beschadigde dijken om ze weer in hun oude staat te brengen.

Het schoonmaken en herstellen van beschadigde huizen en gebouwen kon pas beginnen na het droompompen van de ondergelopen gebieden. Vaak gingen daar maanden overheen.

Bij de ramp raakten 43.000 woningen en boerderijen in de drie getroffen provincies beschadigd. Er werden 3300 woningen en boerderijen totaal verwoest. Naar schatting kwam de totale materiële schade op ruim anderhalf miljard gulden. Veel Scandinavische landen zegden toe prefab huizen te willen leveren om zo de wederopbouw snel te kunnen starten. De overheid was enthousiast, maar er moest tussen alle partijen overeenstemming worden bereikt om te kunnen voldoen aan allerlei plaatselijke bouwverordeningen. Daarna konden architecten binnen en buiten Nederland aan de slag om enkele typen prefab huizen te ontwerpen. De toewijzing van die huizen gebeurde door het Nederlandse Rode Kruis, geadviseerd door de gemeenten. Door de overheid ingestelde reconstructiecommissies kregen de opdracht om per gebied plannen te maken voor herstel. Ze adviseerden ook over de wederopbouw van dorpen en woonkernen.

Pas als zij geld kregen, kregen wij geld’

Reageer op dit artikel