nieuws

Splitsing niet bedoeld om richtlijnen te omzeilen

bouwbreed Premium

In de Cobouw van 8 januari 2003 schrijft Mr. Jan Hebly, advocaat bij Houthoff Buruma te Rotterdam, dat naar zijn mening de rechtbank van de Amsterdamse Rechtbank een belangrijke uitspraak heeft gedaan over de omvang van de (her­)ontwikkelingwerkzaamheden die gezamenlijk een werk, in dit geval een nieuwbouwlocatie van 1300 woningen te Aalsmeer, in de zin van de richtlijn vormen.

Mr. Hebly stelt dat deze rechtbankpresident de uitspraak heeft gedaan dat indien het werk te onderscheiden zo zijn in tijdfasen, waarbij door onzekerheid in het verwervingstempo, een sluitende grondexploitatie, financieel economische haalbaarheid en/of planologische situatie, het denkbaar is dat andere fasen niet worden uitgevoerd, het genoemde werk niet volgens de richtlijn behoeft te worden aanbesteed. Dit is niet correct, het onderstaande geeft in de kern de overwegingen weer van de rechtbank president hoe hij tot een uitspraak is gekomen inclusief de achtergronden ervan. Houthoff Buruma had namens cliënt, gemeente Aalsmeer, aangevoerd dat de rechter géén uitspraak zou moeten doen omdat: ­ Cete Inframanagement BV niet ontvankelijk is, omdat het een te klein bedrijf is dat niet in staat is werken van deze omvang te realiseren. ­ Cete Inframanagement BV niet ontvankelijk is omdat zij onvoldoende kredietwaardig en winstgevend is. ­ Het werk te onderscheiden is ten aanzien van de in te zetten technieken, waardoor de percelenregeling van toepassing is, en een Europees aanbesteding niet vereist is. Daarnaast zou het niet Europees aanbesteed behoeven te worden omdat: ­ De gemeente er geen financieel voordeel bij zou hebben als een derde aan haar het openbaar gebied om niet (of voor de symbolische gulden of euro) overdraagt. ­ Door onzekerheid in het verwervingstempo, een sluitende grondexploitatie, financieel economische haalbaarheid en/of planologische situatie, het denkbaar maken dat andere fasen niet worden uitgevoerd. Dus de omvang van het aan te besteden bedrag is dan beperkt en mogelijk onder de drempel van de richtlijn. Tijdens de zitting bood de wederpartij, bij name van Houthoff Buruma, aan dat in ieder geval alle komende werken (dus zowel de diensten als de werken) openbaar aanbesteed zouden gaan worden. Tijdens de zitting hebben wij aangegeven dat naar onze mening de wederpartij het project in delen heeft ‘geknipt’ om zo onder het Europees aanbestedingsreglement uit te kunnen komen, en vroegen de rechter te beoordelen of genoemd werk niet Europees aanbesteed diende te worden, waarbij hij tevens diende te beoordelen of Cete ontvankelijk was. Aangezien de wederpartij tijdens de zitting aanbod om alle ­ volgende ­ werken openbaar aan te besteden, hetgeen de rechter heeft vastgelegd in de overwegingen bij zijn uitspraak, achtte de rechter onze eis tot Europees aanbesteden van genoemd werk niet spoedeisend meer, immers Cete Inframanagement BV kon inschrijven op genoemd werk zo nodig in combinatie met derden. Voor het overige achtte hij de zaak dermate gecompliceerd, onder andere ten aanzien van het verwerven van de gronden, dat wilde Cete Inframanagement BV duidelijkheid krijgen ten aanzien de noodzaak tot Europees aanbesteden zij daarvoor een bodemprocedure diende te starten. Hierbij is het met name noodzakelijk aan te tonen dat de wederpartij voldoende gronden in eigendom zou hebben om het gehele project aaneensluitend te kunnen realiseren, ongeacht of de deelplannen aaneengesloten liggen. Voor het overige stelde hij de wederpartij op alle punten in het ongelijk.

Reageer op dit artikel