nieuws

Beperking indieningstermijn planschadeclaims niet altijd eerlijk

bouwbreed

Beperking indieningstermijn planschadeclaims niet altijd eerlijk

Planschadevergoedingen rijzen de laatste jaren in toenemende mate de pan uit. Gemeenten doen er alles aan om claims af te wentelen en ook de wetgever onderkent het probleem. In het voorontwerp van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) worden maatregelen toegezegd. Eén ervan is een beperking van de indieningstermijn tot vijf jaar. De vraag is echter of dit altijd even redelijk is.

Het eenvoudigste voorbeeld is een voorstel voor de aanleg van een sportpark. Gemeente X besluit de bestemming van een ‘hoekje’ landelijk gebied, nu nog weiland en grenzend aan bebouwing, te wijziging om de aanleg van een sportpark mogelijk te maken. Niet dat het al zo ver is: neen, eerst moeten de plaatselijke voetbalclubs het eens worden over een gezamenlijk complex, de tennisvereniging moet worden overgehaald enzovoorts, maar toch: de vooruitziende gemeente bestemt het stuk weiland alvast voor dat doel. De omwonenden zullen weinig bezwaren hebben. Wat is er immers tegen een paar hectare groen, dat op zaterdagen en zondagen wordt bevolkt door mannen in korte broeken? En bovendien, het gaat allemaal nog jaren duren. Na een jaar of drie, vier beginnen de plannen definitief vorm te krijgen. Op het sportpark zijn dan juist de tennisbanen aan de rand geprojecteerd, aan de kant van de bestaande bebouwing. Erg? Nou nee, wat is er prettiger dan de tennisbaan dicht bij huis?

Plok-plok

Weer een paar jaar later -de indieningstermijn van vijf jaar (als de voorgenomen wetswijziging wordt doorgevoerd) voor planschade is inmiddels ruim verjaard – blijkt, dat zo’n tennisbaan voor de deur helemaal niet zo leuk is. Avond aan avond klinkt ’s zomers het plok-plok, plok-plok, plok-plok, vele uren achtereen, tot het donker is. In de tuin genieten van een glaasje en een boek is er niet meer bij. En wat erger is: het huis van de buren is voor een veel lager bedrag van de hand gegaan dan voor de hand lag. De ergernis is flink gestegen en de waarde van het huis fors gedaald. Als het parlement instemt met de voorstellen van de nieuwe Wro, staat de voormalige tennisliefhebber wel met lege handen. Immers, de indieningstermijn is verjaard, omdat de bestemmingsplanwijzigingen zich langer dan vijf jaar tevoren hebben afgespeeld. Veel logischer zou zijn, als niet het tijdstip van de wijzigingsplannen, maar de feitelijke totstandkoming als vertrekpunt zou gelden. Niemand kan immers ruim tevoren inschatten hoe irritant het geplok van de tennisbaan zal zijn. Daarnaast staat in het voorontwerp Wro, dat planschadevergoedingen worden gematigd, door in de wet vast te leggen welk percentage van de daling van inkomen of vermogen niet wordt vergoed. Dat kan een speelbal worden van politiek gesteggel: partij A wil in een toekomstig regeerakkoord zestig procent als maximumvergoeding van die waardedaling zien vastgelegd, partij B denkt aan tachtig procent. Of misschien veertig procent. De rest, zo staat in het voorontwerp Wro, wordt gezien als ‘normaal maatschappelijk risico’. De wetgever bereikt hiermee mijns inziens precies het tegenovergestelde van wat hij beoogt: het aantal planschadeclaims zal op voorhand toenemen, om niet het risico te lopen later met ofwel verjaring, ofwel een hoger percentage ‘eigen risico’ te worden geconfronteerd.

Gemeente

En al die claims zullen -zo laat het zich aanzien- op het bordje van de gemeente belanden. Het Gerechtshof in Arnhem heeft onlangs overeenkomsten nietig verklaard tussen gemeenten en projectontwikkelaars, waarbij de laatste verplicht worden eventuele planschadevergoedingen voor hun rekening te nemen. Het proefproces -van een Elspeetse aannemer tegen de gemeente Nunspeet- gaat naar de Hoge Raad en als deze het eens is met het Arnhemse Gerechtshof, kan dat vergaande consequenties hebben voor gemeenten. Extra stijgende grondprijzen moeten daarbij niet worden uitgesloten, want gemeenten zullen zich hoe dan ook tegen dit soort risico’s willen indekken. Planschadeclaims hebben alles te maken met de toegenomen mondigheid van burgers, die in de huidige maatschappij snel bezwaar hebben tegen bouwplannen in hun buurt en dientengevolge eerder geneigd zijn planschade te claimen. Met het inperken van planschadevergoedingen toont de wetgever de jarenlang gepropageerde en gestimuleerde mondigheid van de burger nu kennelijk als last te ervaren.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels