nieuws

Opdrachtgever moet nacalculeren

bouwbreed

den haag – Wil je als opdrachtgever de prijzen echt leren kennen, dan is het maken van nacalculaties van groot belang. Dat is tenminste de ervaring van mensen die hebben gewerkt aan de Oosterscheldewerken.

De Schipholspoortunnel heeft voor de nodige politieke commotie gezorgd. Deelcontracten zijn gemaakt, de prijzen bij elkaar opgeteld en vervolgens zag een raamcontract het licht met daarin de opgetelde prijzen als aanneemsom. ‘Helemaal verkeerd’, zeggen deskundigen bij grote opdrachtgevers als Rijkswaterstaat. Zeker als het om een groot werk gaat met een hoog repeteergehalte, weet iedereen dat er gaandeweg het project schaal- en efficiencyvoordelen worden behaald. Wil je als opdrachtgever daarvan profiteren, dan moet je er anders mee omgaan. Daarbij wordt dan gewezen naar de Oosterscheldewerken. Voor Rijkswaterstaat was dat grote werk redelijk nieuw. Zeker toen werd besloten geen gesloten, maar een open dam aan te leggen. Ervaring met een dergelijk werk was er niet. Er waren dus geen ervaringsgegevens op basis waarvan de opdrachtgever een prijs kon begroten. Maar daar werd wat op gevonden. Er is gekozen voor een raamcontract voor het gehele werk, waaronder de 66 pijlers. De reden was overigens mede dat nog niet bekend was wat er precies zou moeten worden gebouwd. Het raamcontract kwam in één-op-éénverkeer met Dos-bouw tot stand. Bij de pijlers is begonnen met een deelcontract voor zes stuks voor een vaste prijs. Na de eerste serie is een nacalculatie gemaakt op basis van alle gegevens van de aannemer. Die moest zelfs de urenstaten inleveren, zo was dat contractueel vastgelegd. De aannemer deed ervaring op tijdens de bouw en aangezien het om veel repeterend werk ging, kon hij gaande het werk innoveren en dus goedkoper werken. De opdrachtgever profiteerde door voor elk volgend deelcontract de nacalculatie te gebruiken. Daardoor kwam Rijkswaterstaat voor elk volgend deelcontract 10 procent goedkoper uit. Daarbij ging het er niet om de aannemer tot op het bot uit te kleden. Integendeel, Rijkswaterstaat profiteerden van de kennis die de aannemer gaandeweg verzamelde. Daar mocht hij ook wat aan verdienen. Zo is een win-winsituatie gecreëerd. Het toont aan dat het maken van nacalculaties voor de eigen kennis van de opdrachtgever van groot belang is. Daarmee gingen de Oosterscheldewerken al snel richting de voordelen van een alliantiecontract avant la lettre. Het kenmerk daarvan is immers dat voordelen die tijdens de rit worden behaald, worden gedeeld tussen opdrachtgever en aannemer.

Fout

De grote opdrachtgevers staan officieel op het standpunt dat als de bouw door is gegaan met vooroverleg, opzetjes en rekenvergoedingen, de bouw volstrekt fout is geweest. Officieus ligt dat per periode anders. Van 1992 tot 1995, toen het Europese Hof de Europese Commissie gelijk gaf dat deze het Uniform Prijsregelend Reglement verbood, kan er nog worden gezegd dat er sprake is van een onduidelijke periode. Tussen 1995 en 1998 is dat al minder helder. Er was weliswaar geen duidelijke marktordening, maar bekend was dat het eigenlijk niet mocht. Na de invoering van de Mededingingswet in 1998 was het echter definitief over. De grote opdrachtgevers betwijfelen juist voor de gww-sector sterk of er ook werkelijk iets concreets uitkomt. Als het alleen maar om de prijsregeling gaat, dan is die in de prijs niet terug te vinden. Sterker nog, uit onderzoek van SEO, het economisch onderzoeksbureau van de Universiteit van Amsterdam blijkt juist dat de prijzen in de gww-sector gemiddeld lager zijn dan de ramingen van de opdrachtgever.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels