nieuws

Keuring van bouwstoffen niet alleen recht, maar ook plicht

bouwbreed

De UAV 1989 bevatten in de paragrafen 17 en 18 bepalingen omtrent de verwerking van bouwstoffen. Het uitgangspunt is, dat de aannemer in staat voor de goede hoedanigheid van de bouwstoffen en dat hij geen bouwstoffen mag verwerken die niet zijn goedgekeurd. Op deze regels kent de UAV uitzonderingen, die maken dat het risico voor het ontbreken van de goede hoedanigheid niet bij de aannemer ligt, maar bij de opdrachtgever.

De eerste uitzondering omtrent de UAV-bepalingen over bouwstoffen is reeds opgenomen in paragraaf 17 lid 1, waar het uitgangspunt is geformuleerd. Dit geldt namelijk met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 5 leden 3 tot en met 5. In die leden gaat het om situaties, waarin de opdrachtgever bouwstoffen ter beschikking stelt, voorschrijft of voorschrijft bij welke leverancier deze besteld dienen te worden. Dit zijn gevallen, waarin de opdrachtgever invloed uitoefent op het werk van de aannemer en het ligt dan voor de hand, dat aan die invloed aansprakelijkheid wordt gekoppeld. Wie bepaalt, betaalt, zou gezegd kunnen worden. Ook paragraaf 18 kent uitzonderingen op het uitgangspunt. Zijn de bouwstoffen goedgekeurd door de directie dan is de aannemer ontslagen van zijn aansprakelijkheid en als de directie niet tijdig reageert op een verzoek van de aannemer om bouwstoffen te keuren, worden – samengevat – de bouwstoffen geacht goedgekeurd te zijn en komt de aansprakelijkheid van de aannemer alsdan te vervallen. Maar in bepaalde gevallen zal de aannemer zich daardoor niet gedechargeerd achten. Zo besloot de RvA in 1984 (nr 11.508) dat de aannemer zich niet ontslagen mocht achten nu een ondeskundige opdrachtgever zelf directie voerde.

Zaak

De uitzondering op het uitgangspunt dat de aannemer in staat voor de goede hoedanigheid van de bouwstoffen, speelde in een zaak die in oktober van vorig jaar in appel door arbiters van de RvA is beslist (gepubliceerd in BR 2002, mei, p.434 e.v., nr 70.501) In eerste instantie was geoordeeld dat de opdrachtgever, de Staat, het puingranulaat geacht moet worden te hebben goedgekeurd en dat zodoende het risico voor de asbestvervuiling (met de sanering waarvan ongeveer 8,5 miljoen gulden is gemoeid) voor de Staat is. De Staat verzet zich tegen deze overwegingen in het vonnis en vecht het aan in appel. Appelarbiters gaan hier in het geheel niet in mee: zij stellen vast dat uit het bestek geen verplichting voortvloeide tot levering van gecertificeerd puin. Wel heeft – bij het ontbreken van certificering – de opdrachtgever het recht zowel als de plicht om de bouwstoffen te keuren. De Staat heeft niet gekeurd en dat betekent dat het risico voor de Staat blijft. Daarnaast was het asbest zichtbaar en dus geen verborgen gebrek. Appelarbiters controleren vervolgens nog of de aannemer zich te goeder trouw wel mocht beroepen op het vorenstaande. Hij mag dat bijvoorbeeld niet, zo merken arbiters op, indien hem grove schuld treft en daarnaast is het van belang of hij mocht vertrouwen dat het werk ondanks een voor hem kenbaar wezenlijk gebrek bij oplevering is aanvaard. De arbiters overwegen, dat de aannemer het puin bij een goed bekend staande vaste relatie heeft betrokken, die in opdracht van de Staat is bezocht en als goed beoordeeld. Een verwijt kan de aannemer daarvan dus niet gemaakt worden. Ook de tweede leverancier van de aannemer stond goed bekend, was aangemeld bij de Staat, die ook hier naliet nader onderzoek te plegen. Net als de Staat hoefde de aannemer niet bedacht te zijn op vervuiling. Dat het asbest nat was en niet gecontroleerd kon worden, zoals de Staat stelde, is een argument dat uiteraard ook ten gunste van de aannemer werkt. De conclusie van arbiters is dan ook dat de aannemer geen zorgvuldigheidsplicht heeft verzaakt, zeker niet nu de Staat zich de keuring had voorbehouden. De eigen plichten tot oplettendheid van de opdrachtgever worden nog eens onderstreept door het bepaalde in publieke regelingen zoals het Bouwstoffenbesluit, het Asbestbesluit, het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen.

Illustratie

De uitspraak van arbiters vormt een mooie illustratie van par. 17 lid 2 (bouwstoffen mogen zonder goedkeuring niet verwerkt worden) en par. 18 lid 1 (bouwstoffen worden door de directie gekeurd). Dat de directie bevoegd is tot keuring volgt al uit het bepaalde in par. 17 lid 2, maar staat dwingender geformuleerd in het tweede lid van par. 18. De uitspraak van arbiters – het gaat hier om een recht en een plicht – brengen een en ander onomwonden onder woorden. Evenals het feit, dat een belangrijk deel van de wetgeving verplichtingen in verband met het milieu of arbeidsomstandigheden ook op de opdrachtgever legt; dit is een feit dat bij veel opdrachtgevers niet bekend is of aan de aandacht ontschiet.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels