nieuws

Gelijke monniken, gelijke kappen bij aanbesteding

bouwbreed

In aanbestedingsgeschillen is nog wel eens het gelijkheidsbeginsel in het geding. De grond is dan vaak dat de bepalingen van de overeenkomst niet eenduidig zijn geformuleerd, waardoor het beginsel is geschonden. Wat is het gelijkheidsbeginsel en welke reikwijdte wordt toegekend aan het gelijkheidsbeginsel bij de gewone (overheids-) rechter, de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland en het Europees Gerecht van Eerste Aanleg te Luxemburg?

Bij het gelijkheidsbeginsel gaan al snel staatsrechtelijke en/of grondwettelijke bellen rinkelen. Tot voor kort schonken de media aandacht aan de politieke discussie aangaande (de afschaffing van) artikel 1 Grondwet (‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld ….’). Ook binnen het bestuursrecht kan het gelijkheidsbeginsel in beeld komen, voor zover het gaat om besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In deze aanbestedingsrubriek wordt niet het staatsrechtelijke, grondwettelijke of bestuursrechtelijke gelijkheidsbeginsel aan de orde gesteld, maar gaat het om het aanbestedingsrechtelijke perspectief. Om dicht bij huis te beginnen: de kort gedingrechter in ‘s-Hertogenbosch (KG 2001/200) heeft vrij uitvoerig het gelijkheidsbeginsel behandeld. Voorop wordt door hem gesteld dat het beginsel van gelijke behandeling van gegadigden en inschrijvers moet worden aangemerkt als het basisbeginsel bij uitstek binnen het aanbestedingsrecht. Overwogen wordt vervolgens dat het gelijkheidsbeginsel naar zijn aard een tweesnijdend zwaard is: enerzijds verzet het zich tegen benadeling van gegadigden en inschrijvers, maar anderzijds verzet het zich er evenzeer tegen dat gegadigden en inschrijvers op welke wijze dan ook worden bevoordeeld. Verder wordt overwogen dat het beginsel met zich brengt dat de selectie van gegadigden binnen een aanbestedingsprocedure dient plaats te vinden aan de hand van vooraf vastgestelde en voor alle gegadigden kenbare, objectieve selectiecriteria. De President overwoog dat de selectie binnen de aanbestedingsprocedure op ondoorzichtige wijze, in strijd met de aan het aanbestedingsrecht ten grondslag liggende rechtsbeginselen (van gelijke behandeling, transparantie en objectiviteit, WHEP) heeft plaatsgevonden. In een scheidsrechterlijk spoedgeschil (BR 2000/256), vroeg een aanbesteedster opnieuw te mogen aanbesteden, op basis van het standpunt dat de bepalingen in het aanbestedingsdocument kennelijk niet eenduidig waren voor de inschrijvers, en om die reden de gelijkheid tussen hen in het geding was. De Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland overwoog dat het standpunt van aanbesteedster niet direct de aanbestedingsprocedure ongeldig maakt, maar dat mogelijk de betrokken inschrijvingen ongeldig dienen te worden verklaard. Voorts overwoog hij dat ongeldigheid van inschrijvingen aan de orde is indien deze niet voldoen aan de inhoudelijke eisen, zoals gesteld in onder meer het bestek. Aan een beoordeling van de gelijkheid kwam de raad niet toe, nu omtrent de aanbieding geen twijfel bestond, doch slechts omtrent de juiste hoogte van de inschrijfsom. Het gelijkheidsbeginsel kan een rol van betekenis spelen in de aanbiedingsfase. In artikel 6 lid 6 van de Richtlijn 93/37 (‘Werken’) heeft het gelijkheidsbeginsel zijn Europeesrechtelijke grondslag gekregen. Aldaar valt te lezen dat de aanbestedende diensten ervoor moeten zorgen dat er geen discriminatie tussen leveranciers plaatsvindt. Illustratief is een arrest van het Gerecht van Eerste aanleg (T-169/00) inzake beoordeling van schending van het non-discrimatiebeginsel, zij het in het geval van de Richtlijn Diensten. Relevant in dat kader is de overweging dat elk contact tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver na de opening van de offertes verboden is, uitgezonderd als een offerte aanleiding geeft tot een verzoek om een opheldering, of indien duidelijk materiële fouten in de bewoordingen van de offerte moeten worden verbeterd. Op basis van een summier onderzoekje blijkt dat voor het gelijkheidsbeginsel in beginsel plaats ingeruimd is in de aanbiedingsfase. In die fase moet sprake zijn van doorzichtige, eenduidige en gelijke informatie.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels