nieuws

Lichte troost Uitvaartcentrum Utrecht

bouwbreed

Lichte troost Uitvaartcentrum Utrecht

Molenaar & Van Winden Een uitvaartcentrum aan de rand van Overvecht, ingeklemd tussen begraafplaats Daelwijck en het crematorium. Het is niet het eerste uitvaartcentrum van Joris Molenaar en Wilfried van Winden. Eerder bouwden zij al De Laatste Eer in Delft. Dat was aanleiding voor deze opdrachtgever om net zo’n gebouw te willen.

Is het een kopie van Delft geworden? Nee, dat paste niet op deze smalle locatie. Het is wel een gebouw geworden met een zekere verwantschap met het Delftse exemplaar. Waar zit ‘m dat in? Onder meer in de grote taatsdeuren, die telkens twee condoléancekamers tegelijk bedienen. Als ze open staan, leveren ze een rij coulissen op. Gesloten tonen ze de vorm van de centrale hal als een opeenvolging van drie ruitvormige ruimtes. Er is een afwijkende condoléanceruimte, die groter is en een eigen buitendeur heeft, zodat deze geschikt is om een wake te houden. De andere zes condoléancekamers liggen in een reeks achter die taatsdeuren. Met per ruimte telkens twee kamertjes, waar overledenen worden opgebaard. Het voordeel daarvan is, dat terwijl de ene rouwbijeenkomst nog maar net is beëindigd, de volgende al kan beginnen. Dat is een kwestie van stoelen rechtzetten, condoléanceregister vervangen, de deur van de ene opbaarkamer dichtdoen en de andere open. Voor grote gezelschappen kunnen trouwens twee of drie condoleancekamers worden gekoppeld om opstoppingen te voorkomen. Heel efficiënt allemaal. Hoe je het went of keert, de uitvaart is een bedrijf, al is bijna niemand in de stemming om al te zeer te worden geconfronteerd met zakelijkheid. De architectuur van een uitvaartcentrum heeft daardoor iets precairs. Enerzijds moet het een geoliede machine bieden, anderzijds een troostrijke omgeving. Hoe is dat dilemma opgelost? Door een duidelijke scheiding te maken tussen de wereld backstage en de condoléancekamers. De kantoren zijn op de verdieping gesitueerd, net als de wachtruimte waar de dragers en chauffeurs pauzeren. Verstopt achter een gordijn zit in elke opbaarkamer een deur, die uitkomt in een lange gang voor de aan- en afvoer van de overledenen. Daar bevindt zich ook een garage voor de lijkwagen en een betegelde ruimte voor het afleggen en opbaren. Ook dat laatste wil bijna niemand zien, hoewel in sommige uitvaartrituelen het juist weer een rol speelt. Daarom is er een deur tussen de aflegruimte en de eerste condoléanceruimte. Aan alles is gedacht. Het uitvaartcentrum is in principe geschikt voor elk ritueel dat in Nederland gangbaar is. Het is hiermee een zeer multicultureel gebouw. Inclusief een mobiele wasbak voor wassingen en een sterke afzuiger, die is weggewerkt in een daklicht, zodat er ritueel voedsel kan worden verbrand zonder dat het er overal naar gaat ruiken. Dat was de efficiëntie, nu de troost. Troost wordt geboden door de lichtheid van de architectuur. Dat is een compensatie voor de zwaarte van dood en verdriet. De centrale hal bestaat uit drie tentachtige, licht geconstrueerde daken telkens voorzien van een daklicht. In de gevels domineren de lichte kleuren van western red cedar en het prachtige mestelwerk van crèmekleurige kloostermoppen met hier en daar een strook donkere hardsteen. Er is behalve aan troost ook aan contemplatie gedacht. In de tapijten in de condoléanceruimten zijn sterrennevels verwerkt, die niet alleen een mooi patroon opleveren, maar ook aanzetten tot diepere gedachten over het bestaan.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels