nieuws

Op Hollandse grondslagen

bouwbreed

De uitspraak wordt aan buitenlanders toegeschreven, maar we zouden het ook zelf kunnen verzinnen: “God schiep de aarde, maar Nederland werd door de Nederlanders gemaakt”. We zijn in ieder geval trots op onze polders en dijken, die al in de zeventiende eeuw een ware toeristische attractie vormden. En als we na de vakantie weer thuis komen, zijn we er onwillekeurig trots op dat ons land er zo netjes bij ligt. Gezamenlijk stralen ze een groot vermogen uit om natuur en maatschappelijke dynamiek naar onze wensen te plooien.

Klimaatverandering, bodemdaling en netwerksamenleving kondigen echter de eindigheid aan van de ingrepen waarmee we alles onder controle dachten te hebben. Sterker nog, deze ingrepen blijken averechtse bijwerkingen te hebben. Door de Deltawerken stagneert de aanvoer van sediment via rivieren en wordt kusterosie versterkt. Schaalvergroting in bemaling schakelt grondwaterstanden gelijk en leidt zo ook tot onnodige verdroging. Bemaling van veengebieden voor veeteelt en verstedelijking leidt tot bodemdaling van 40 tot 100 centimeter per eeuw. Toename van verharding (gebouwen, wegen, kassen) verlaagt het waterbergende vermogen van de bodem, waardoor steeds meer hemelwater afgevoerd moet worden. Regulering en normalisatie van rivieren leidt benedenstrooms tot culminatie in het aanbod van water en daardoor in natte tijden tot nauwelijks te verwerken afvoerpieken.

Ruimtelijk beleid dat zich tientallen jaren primair richtte op het bedwingen van woningnood en het bevorderen van evenwichtige economische ontwikkeling, heeft mede geleid tot spreiding van functies. In de stedenbouw werd daarbij ook nog uitgegaan van scheiding van functies. Het resultaat versterkte het ontstaan van een samenleving die op mobiliteit is aangewezen.

Lagenbenadering

Dreigende dijkdoorbraken langs de rivieren (1993, 1995) en wateroverlast in Laag Nederland (1998) plaatsten waterbeheer zeer nadrukkelijk op de agenda. Voorts blijken verschillen in bereikbaarheid alsmaar sturender voor het ruimtegebruik (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid). Tezamen leveren ze voeding voor pleidooien om de volgorde van ruimtelijke beslissingen te herijken: eerst beslissen over duurzame watersystemen (eerste laag), dan over differentiaties in bereikbaarheid (tweede laag) en daarna pas over verandering van grondgebruik (derde laag). Deze ‘lagenbenadering’ kende van meet af aan grote steun en werd ook in de Vijfde nota opgenomen.

Cultuuromslagen

Toepassing ervan blijkt niet altijd van een leien dakje te gaan. Gedifferentieerde bereikbaarheid en het bestrijden van kansen op wateroverlast worden niet overal even urgent gevonden en vergen grote investeringen in ruimtelijke transformaties. Ook belandt de lagenbenadering in een wereld met sterk verschillende culturen. De wereld van planologen is gewend aan het maken van ruimtelijke plannen, kent het lage uitvoeringstempo van infrastructuur en bouwlocaties en ziet de rol van water veelal als extra complicatie. De wereld van waterbeheerders moet wennen aan de invloed op de RO en ondervindt de interne (agrarische) weerstand tegen nieuwe waterstrategieën aan den lijve. In de lagenbenadering worden voorts stad en landschap, via de centrale positie van bodem en water, benaderd als onderdeel van één systeem. Dat stéékt nogal in een wereld waar de traditie juist gebaseerd is op de scheiding daartussen. De rode en groene contouren uit de Vijfde nota zijn een recente uitdrukking van die traditie.

Door plaatsgebonden kenmerken van bodem en water én differentiatie in bereikbaarheid als grondslagen te kiezen, luidt de lagenbenadering tevens het einde van generieke concepten in. Geen compacte stad meer, die voor Assen en Amsterdam hetzelfde betekent; of varianten op gebundelde deconcentratie, die centra en subcentra overal in dezelfde hiërarchie positioneren. Geen locatiebeleid meer, dat overal dezelfde bereikbaarheidsproblemen veronderstelt en dezelfde productiemilieus voortbrengt. Het blijkt moeilijk om het gebruik van concepten helemaal los te laten. Zo wordt in de Vijfde nota een ongrijpbare metafoor als stedelijke netwerk gepresenteerd en als eenduidig concept voor stedelijke ontwikkeling.

Doorpakken?

In de Vijfde nota wordt de lagenbenadering eigenlijk alleen gehanteerd als analysekader. Als grondslag voor ruimtelijke beslissingen wordt zij doorgeschoven naar andere overheden. Waar dat tot vernieuwende plannen blijkt te leiden, getuige Leiden-Haarlem-Amsterdam, de Zuidvleugel, Weststellingwerf en Apeldoorn-Deventer-Zutphen. Het belang van de lagenbenadering ligt waarschijnlijk ook op de concretere regionale en locale niveaus . Verantwoordelijkheid voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling verplicht het Rijk er wel toe om de toepassing ervan te stimuleren. Minstens door bij de uitwerking van stedelijke netwerken beleidsruimte te bieden en door te investeren in de resulterende stedelijke en landschappelijke transformaties.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels