nieuws

Witte schimmel

bouwbreed

Witte schimmel

In gelul kan je niet wonen. Zoals bij velen bekend een klassieker van Jan Schaefer als Amsterdams wethouder. Een andere niet meer weg te denken uitdrukking is intussen de witte schimmel, de verderfelijke aanbouw van dorpen met vrijstaande eigentijdse woningen. Het verschil is, dat je in die witte schimmel wel kan wonen. Volgens de bewoners van de betreffende huizen zelfs heel prettig Minister Kamp wil de mogelijkheden om in dorpen te bouwen verruimen. En daar was de witte schimmel weer. De uitbreiding van dorpen met woningen waarin mensen graag wonen wordt door liefhebbers van het onveranderde landschap met lede ogen bekeken. Als iets dat moet worden bestreden. De architectuurpolitie zou er voor moeten waken, dat mensen hun eigen wens volgen bij het bouwen. De overheid zou ook op andere bouwlokaties minder aan de markt moeten overlaten. De mensen weten dus niet wat goed voor hen is. Ontwerpers zouden meer de vrije hand moeten hebben. Wel moet de klant natuurlijk betalen.

De beschouwing van Piet Vollaard (Cobouw, 3 december 2002) is een schoolvoorbeeld van de redenering die de architectuur boven de wens van de klant stelt. Hij geeft het voorbeeld van mensen die een enigszins afwijkend ontworpen woning met een collectief groengebied links lieten liggen. In plaats daarvan gaven ze de voorkeur aan een woning met een eigen achtertuin en een plek voor de auto voor de deur. Motief volgens Piet Vollaard: de woning met eigen tuin zou een meer waardevaste belegging zijn. De gang van zaken wordt beschreven als verwerpelijk en veroorzaakt door het marktdenken in de bouw. De overheid heeft haar handen van de woningbouw afgetrokken en kijk toch eens wat een rommel er gebouwd wordt. Zo versta ik het althans.

De zienswijze van de mensen die de witte schimmel niet ziet zitten en die vinden dat de markt ons een armzalig product met een armetierige kwaliteit aan woningen opzadelt en daarmee ook een woonomgeving die onder de maat is, is vanzelfsprekend legitiem. Wel vind ik het een elitaire opvatting en tegelijk een zienswijze die niet houdbaar is in een moderne samenleving. Niet de klant, maar de ontwerper wordt centraal gesteld. Die klant wil niet experimenteren en heeft geen zin om zijn geld te zien vervliegen. De ontwerper neemt uiteraard niet het economisch risico. En als je de achtertuin niet met je buurman wilt delen, is dat armzalig? Sinds wanneer is de woning niet ook een beleggingsobject? Wat is er tegen een woning met toekomstwaarde te ontwikkelen, al is het maar als experiment? Als mensen zo om de acht jaar verhuizen lijkt het me logisch, dat je voorzichtig bent met het deelnemen aan een experiment. Natuurlijk dicteert de markt.

Het lijkt mij tamelijk vruchteloos om te hoop te lopen tegen ons economisch systeem, dat als sociale markteconomie kan worden getypeerd. Dat levert de basis van de welvaart die de koopkracht levert om woningen te bouwen. Kwalitatief steeds betere woningen. Ruimer, beter uitgerust en nog steeds betaalbaar. Woningen die worden aangeboden op de markt. Ook aan calculerende kopers. Smaken verschillen, maar in de praktijk ook weer niet zoveel, dat afwijkende woningtypes, of woonomgevingen veel aftrek vinden. Dat kan je betreuren, omdat de dorpsrand ongerept moest blijven. Je kunt het ook jammer vinden, dat mensen hun territorium scherp willen afbakenen, omdat ze graag zonder buren in de zon liggen. Maar waarom mogen zij dat niet zelf weten?

Tot slot. Een ondernemer is er om winst te maken. Hoe meer, hoe mooier. Ook bij het bouwen van woningen. Dat geldt overigens ook voor de ontwerper en alle anderen die bij het bouwen van een woning komen kijken. Wie zou meer kwaliteit voor dezelfde prijs kunnen leveren?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels