nieuws

Netwerken zijn fundament voor innovaties

bouwbreed Premium

amsterdam ­ “In de Nederlandse bouw vinden zoveel nieuwe ontwikkelingen plaats, dat de bedrijfstak internationaal koploper kan worden waar het gaat om innovaties. Voorwaarde daarvoor is dat de overheid platforms opricht waar publieke en private partijen met elkaar in discussie gaan. Daarnaast moet ‘topdown’ infrastructuur worden ontwikkeld en doorgevoerd waarlangs innovaties doorstromen naar de dagelijkse praktijk. Angst voor bouwfraude mag niet leiden tot een verbod op netwerken.”

Dat zegt dr.ir. B.A.G. Bossink, universitair hoofddocent Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Volgens Bossink zijn samenwerking en vernieuwing kenmerkend voor de Nederlandse bouw, maar lukt het niet om innovaties bouwbreed door te voeren. “Er is geen industrie waar zoveel nieuwe toepassingen worden ontwikkeld als in de bouwindustrie. Die vernieuwing vindt plaats via netwerken die in de bouw de dagelijkse praktijk zijn. Tegelijkertijd zie je dat het innovatieproces weinig structuur heeft. Het lukt niet om de vernieuwing door te voeren naar de dagelijkse praktijk. De infrastructuur daarvoor ontbreekt en daarom moet steeds opnieuw het wiel worden uitgevonden.” Duurzaam bouwen noemt Bossink als voorbeeld van grensverleggende ontwikkelingen die in de praktijk bijna niet worden toegepast. “We kunnen vrijwel alles wat we willen. Maar op de bouwplaats vindt je er nauwelijks iets van terug.” Zowel het succes van de innovaties op het gebied van duurzaam bouwen als het mislukken van een bouwbrede implementatie, ligt bij de overheid, stelt Bossink. “Deze stuurt de ontwikkelingen aan en neemt daarvan een aantal toepassingen op in de wet. Hetgeen in de praktijk betekent dat 40 procent van de mogelijkheden die dubo biedt, in regelgeving terecht komt. In de praktijk sneuvelt daarvan een groot deel. De oorzaak ligt erin dat de overheid nalaat een infrastructuur te scheppen, waarin het bouwbedrijfsleven wordt ondersteund in het toepassen van vernieuwingen. Daardoor wordt van veel nieuwe bouwmethoden hoogstens 10 procent in de praktijk gebracht. Dat is dus erg weinig.” “Bovendien”, stelt hij, “is het raar dat er wel infrastructuur aanwezig is om innovaties te stimuleren en wetten te maken, maar dat er vervolgens geen kanalen zijn waarlangs de vernieuwingen die in de regelgeving zijn opgenomen doorstromen naar de bouwplaats.”

Innovatieproces

Het scenario dat Bossink voor ogen staat, brengt daarin verandering. In de eerste fase van zijn model levert de overheid een blauwdruk waarbinnen het innovatieproces gestalte krijgt. Dan wordt dit werkmodel besproken binnen een platform met vertegenwoordigers van diverse brancheorganisaties en ambtenaren. Aan de hand van die besprekingen wordt de blauwdruk aangepast en nogmaals besproken. Hierna lichten de brancheorganisaties hun leden in en komen er voorbeeldprojecten. “Dat proces duurt ongeveer vijf jaar. Daarna moet je de hele cyclus herhalen. Ongeveer vier keer. Na twintig jaar is er dan een totaal andere bouw ontstaan.” Bossink is ervan overtuigd dat de overheid de kar kan trekken en dat ook de bouw ervoor openstaat. “Voorwaarde voor het slagen van het plan is dat de samenwerking tussen bouwbedrijven niets in de weg wordt gelegd, maar wel transparant wordt gemaakt. Ik bespeur dat de parlementaire enquêtecommissie Bouwfraude neigt naar het uit elkaar halen van samenwerkende aannemers. Weliswaar is het rapport van de commissie nog niet verschenen, maar als ik naar de vragen luister dan krijg ik sterk die indruk. Het tegengaan van netwerken en samenwerking zou een totaal verkeerde ontwikkeling zijn.” ‘Overheid moet samenwerking bedrijven transparant maken’

Reageer op dit artikel