nieuws

8,8 Procent

bouwbreed

Opdrachtgevers in de bouw zouden jaarlijks één miljard gulden teveel in rekening gebracht krijgen dan nodig is. Vooral overheden zouden het slachtoffer zijn van wat al snel de bouwfraude ging heten. De grote opwinding die ontstond leidde tot een parlementaire enquête naar onregelmatigheden in de bouwnijverheid.

De commissie onder leiding van het kamerlid Marijke Vos heeft inmiddels verslag gedaan. Mijn bijzondere belangstelling ging bij de kennisneming van de conclusies in het verslag uit naar het genoemde miljard. Bij de presentatie werd de nadruk gelegd op het vooroverleg, de prijsafspraken, de corruptie en vooral ook de structuurkenmerken van de bouw die een bijdrage tot de gewraakte situatie in de bouw hebben geleverd. Het tot de verbeelding sprekende bedrag kwam ook in beeld. Gemiddeld 8,8 procent zou de ophoging van de prijzen van openbaar aanbestede (gww­)werken hebben bedragen. Als indicatie voor op andere wijze meervoudig aanbestede werken zou een vergelijkbare ophoging kunnen worden aangehouden. Alleen al in de gww zou daarmee in guldens jaarlijks ten onrechte meer dan 1 miljard in rekening gebracht zijn. De commissie spreekt van de benadeling van de opdrachtgever. Genoemde 8,8 procent is het gemiddelde verschil tussen de uitkomst van vooroverleg tussen bedrijven en de uiteindelijke aanneemsom die door een niet georganiseerde of buitenommer bij een openbare aanbesteding in de bus zou zijn gedaan. In totaal werden in de documenten van oud­Koopwerknemer Bos 211 van deze uitkomsten aangetroffen. Dit op een totaal van 2218 aanbestedingen. In het verslag van de commissie wordt uitvoerig stilgestaan bij de vraag of met deze exercitie een verantwoorde indicatie is verkregen. We mogen er immers vanuit gaan, dat de commissie zich bewust was van het eigen leven dat de 8,8 zou gaan leiden. Naar mijn gevoel is er het nodige af te dingen op de keuze voor dit getal. De commissie noemt een aantal gronden die een aannemer er toe kunnen brengen laag in te schrijven.

Over het gedrag in het algemeen van buitenommers komen we verder niets aan de weet. Ook niet of zij bij de aanbestedingen die wel werden bekroond met een opdracht aan een van de deelnemers aan het vooroverleg meededen. En daarmee niet succesvol waren.

Een punt waar de commissie niet uitkomt is de vraag waar dan de opbrengsten van de 8,8 procent gebleven zijn. Een niet onbelangrijke vraag, omdat deze ook een rol zou moeten spelen bij de beoordeling van de werkelijke waarde van de claimrechten die tijdens het vooroverleg worden toegekend. Is dat nu geld of niet en als het geld is wie legt het op tafel? Naar mijn mening maakt de commissie niet duidelijk dat het om iets anders gaat dan rechten die kunnen worden aangewend bij het verkrijgen van werk in een volgend vooroverleg.

Op zich is het kunnen uitvoeren van een werk een op geld waardeerbare recht. De verdiensten maken slechts een beperkt deel uit van dit recht. Evenmin heb ik kunnen vinden welke betekenis de commissie toekent aan de opmerking in het verslag dat een prijs waarvoor een bedrijf een werk wil maken beneden de kostprijs kan liggen en pas na aanvulling met claimrechten een reële inschrijfprijs wordt. Op zijn minst een deel van de opzet is derhalve economisch noodzakelijk om zonder verlies het werk te kunnen maken. Vastgesteld wordt, dat de ophoging van de prijs niet zichtbaar is in de marges en ook niet in de rendementen van de bedrijven. Gelet op het gegeven, dat de opdrachten normaal in de boekhouding zijn verwerkt rest slechts de conclusie, dat de ophoging nodig was om tot een aanvaardbaar economisch resultaat te komen.

Van een miljardendfraude is zo gezien op geen enkele wijze sprake. Laat staan dat je miljarden zou moeten terugbetalen. Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat er geen sprake is van wetsovertreding. De mededingingswet is glashelder als het gaat om kartelvorming. Zonder toestemming is dat verboden, ook in de bouw. Dat kartelvorming uitmondend in marktverdeling en prijsaanpassing remmend werkt op de technische en organisatorische ontwikkeling van bouwbedrijven is niet voor discussie vatbaar. Dat als gevolg hiervan de productiviteit minder is toegenomen dan mogelijk lijkt voor de hand te liggen. Hoeveel? Niemand die het weet. Misschien 8,8 procent? Naar mijn gevoel moet je dan wel heel erg veel jaren in de beschouwing betrekken om daarbij in de buurt te komen.

Het lijkt mij om een aantal redenen gewenst het beeld van een de bedrijfstak, waarvan met ingang van vandaag de prijzen met 8,8 procent omlaag kunnen weg te nemen. Dat is ook een taak van de parlementaire commissie. Tevens kan dan duidelijk worden, dat claims die hier en daar al zijn aangekondigd om betalingen van opgehoogde inschrijfprijzen terug te vorderen geen reële basis hebben. De benadeling waarover de commissie spreekt is op geen enkele manier terug te vinden in de resultaten van de ondernemingen. Daar kan je dit soort claims dan ook niet uit betalen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels